Home Artikels Hokken Kwekers Toppers Resultaten Pers Te koop Links Fotoboek Contact    
 
Laatste Nieuws
3-11-2011
Nieuwe aanwinst van Paul Aelbrecht

Sinds kort zit er een nieuwe aanwinst op de hokken.
Het gaat om een dochte ...
lees meer >>


22-9-2011
Weer topresultaat met duiven van Van Hoeck-Noël

Op 10 september stond in Afdeling 8 Peronne op het programma.
Gert Krab sp ...
lees meer >>


13-9-2011
Gert Krab wint asduif natour met 50% Van Hoeck-Noël

Gert Krab gaat met de 1e Ace Natour R3 aan de loop met "Ace 089"lees meer >>


5-8-2011
Kweekduivin 090-06 "Grijze Van de Pasch"

Deze prachtige duivin stamt af van het beste van het beste van Van de ...
lees meer >>


2-8-2011
Belgian Masters 2011

Op de Belgian Masters te Deinze schreven we 5 duifjes in.
Momenteel zijn e ...
lees meer >>


Weblog

Sinds kort houden we een weblog bij op onze site over het reilen en zeilen op en rond onze hokken, hoe we één en ander aanpakken en meer. Hieronder treft u de laatste paar aan, klik hier voor het complete Weblogarchief.

De duiventil?
10-4-2009

Dat zeggen ze al eens als het bij bijvoorbeeld een firma of bedrijf een komen en gaan is van personeel of werklieden. Da’s nooit echt goed. Als je iets stabiel uitbouwt of wil uitbouwen, of met andere woorden met uw duifkes een woordje mee wil spreken in de wedstrijden, dan investeer je maar beter in goeie dingen, probeer je hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden. Streng selecteren en alleen de beste beestjes overhouden kan tot enig resultaat leiden. Voor die goei beestjes draag je dan vervolgens ook zorg. Daar kan je mee “vooruit”. Met hen val of sta je immers.

Niets is moeilijk als je het kunt of kent

Hoe beter je het kent of kunt hoe makkelijker het nog wordt. Het zou echter absurd zijn te geloven dat wanneer je morgen een paar allerbeste voetbalschoenen koopt je ineens topvoetballer zou zijn. De meest professionele racefiets maakt je helemaal geen Sven Nijs of Tom Boonen. Een hok in je tuin neerpoten en er een paar duiven opzetten kan heel leuk zijn maar daarmee ben je helemaal nog geen topliefhebber. Op een gegeven ogenblik passen misschien wel enkele puzzelstukjes leuk in elkaar en kan je best aardig voor de dag komen met je beestjes. Als je echter top wil spelen op de “Nationals” zal er wat meer bij moeten komen kijken. Het is maar wat je zelf wil. Als mijn buurman dagelijks twee uur gaat fietsen en ik om de andere week een uurtje zal ik er bij moeten nemen dat ik hem waarschijnlijk niet zal kunnen volgen. Als ik gewoon graag met de fiets ga rijden is dat misschien wel meer fun en leuker dan wekelijks steeds maar weer trachten de beste te zijn. Alleen oefening echter baart kunst. Die dingen bepaal je helemaal zelf.

Moderne duivensport

Samen met Jos Voortman en geluidsman Guus waren we drie dagen te gast bij zowel Gust, Mit en Geert Van Hove Uytterhoeven als bij Paul en Jelle Roziers voor de opnames van een film over moderne - hedendaagse duivensport.en alles wat daar bij komt kijken Ge gelooft er van wat ge wilt, maar dat die mensen goed spelen met duiven is helemaal geen toeval. Die leven net als topsporters voor de volle honderd percent en dag na dag voor hun sport. Die dieren zijn hun passie.
 
Alles wat met de sport te maken kan hebben wordt op de voet gevolgd. Verbeteringen worden aangebracht daar waar dingen voor verbetering vatbaar zijn of ook maar zouden kunnen zijn. Alles echter nauwkeurig gewikt en gewogen en zeker niet over één nacht ijs. Die mensen geloven niet in “fabeltjes” Wel in goede duiven, een goed hok, een gedegen training, een gedegen kweekstrategie, zo optimaal mogelijke voeding en noem maar op. Het is ook geen toeval dat ze dat allemaal netjes op een rijtje hebben Wat ze niet hebben zorgen ze wel dat het er komt. Das eigen aan toppers in gelijk welke sport dan ook. Perfectionisten zijn het meestal, niets aan het toeval overlaten en alleen dan maak je kans. Je kunt die film trouwens nog steeds bestellen door een mailtje te sturen naar eddy.noel@telenet.be.

Verlichting op het duivenhok

Het artikel over verlichting op het duivenhok van vorige keer leverde een pak reacties op. Dat is leuk op zich maar het waren en zijn er zoveel dat het onbegonnen werk is al die dingen individueel te beantwoorden. Eigenaardig genoeg ook vrij veel mail over mensen die hun duiven “uitlichten” en daar inderdaad zonder uitzondering compleet mee de mist ingingen. Ik schreef al eerder dat je van 10-20 minuutjes onder zonnelampen te gaan liggen, je mooi bruin kan worden. Ik mag er niet aan denken wat er kan of zou gebeuren als je daar de ganse dag zou onderliggen, laat staan dag en nacht! Dat kan gewoon niet. Dieren leven nog altijd veel korter bij de natuur dan wij mensen dat doen. Die volgen nog gewoon de seizoenen. Kunstmatig de dagen “lengen” of “korten” kan wel voor een tijdje maar ze dag en nacht onder de lampen, en dan nog daglichtlampen zetten is gewoon helemaal naast de pot gepist. Als je voor langere tijd de verhoudingen inspanning, rust, ontspanning, werk, slaap enz verstoort weet je voor jezelf eigenlijk wel waar dat toe leidt... Bezint eer ge begint zou ik zo zeggen.

Internet

De toekomst, hasta la vista! De internetsites swingen dan ook de pan uit. Dingetjes lekker kopiëren en plakken. Den enen pikt ze bij den anderen en dan den anderen weer bij den enen. Elevendertig websites met -tig keer hetzelfde. Of de sport daar beter van wordt is maar zeer de vraag.

Wat je kent is niet zo belangrijk, wat je er mee doet

Of misschien net niet doet des te meer. We kennen het verhaaltje van de garagist die in anderhalve minuut de wagen weer aan de praat krijgt waar je zelf al anderhalf uur mee aan de gang was en daar 50 euro voor vraagt. Twee euro om aan het schroefje te draaien en de andere 48 om te weten aan welk. Zo heeft elk “broodje” wel zijn prijs. Voor diegene die moet betalen is’t meestal te veel, diegene die moet ontvangen wil misschien wel meer. ’t Is de kunst tevreden te zijn met wat je hebt of daar toch de gulden middenweg in te vinden. “zaken doen”, kan en mag maar ook daarin is enige menselijkheid niet meteen misplaatst. Het werk wat je levert wordt dan misschien wel geapprecieerd maar daarmee koop je niets natuurlijk.
Vrijwilligers, je vindt ze hoe langer hoe moeilijker. Ze zijn van een uitstervend ras me dunkt. Als je die dan toch hebt ben je er maar beter zuinig op om misschien te voorkomen dat je het kind met het badwater wegkiepert.

Soms is het niet slecht er eens bij stil te staan dat anderen mensen een andere mening kunnen hebben.

Oorzaak en gevolg

Lees ik laatst nog ergens: ik koop voor de kweekperiode goedkoop voer, ze eten er toch de helft niet van op. Ik weet niet echt of dat wel de juiste redenering is. Als ze niet alles of zo goed als alles opeten is er misschien wel wat verkeerd met dat voer. Minder goede kwaliteit van granen of misschien zit het met de samenstelling van dat voer niet helemaal snor. De behoeftes van duiven met jongen in het nest zijn totaal anders dan de behoeftes van duiven in de competitieperiode.

Het grootste probleem is dat commercieel gezien duivenliefhebbers niet meteen de meest interessante groep zijn. Specifiek onderzoek naar alles wat betreft voeding zoals dat in anders sporten wel gebeurt is niet meteen aan de orde. Te tijdrovend en absoluut te duur voor veel te weinig rendement.

Heel vaak zijn samenstellingen van vandaag nog ongeveer zo goed dezelfde als ze dat 20 jaar geleden ook waren. Tuurlijk brachten de duiven toen ook jongen groot en wonnen ze prijzen op de wedvluchten. Eender welke auto van 20 jaar gelden reed ook, alleen rijden ze nu beter, zuiniger, comfortabeler en toch stoppen ondanks dat onderzoeken en testen niet om dingen nog te verbeteren.

Het stopt nooit

Duivensport hinkt vaak wat achterop. Wat oudere liefhebbers jaren terug "leerden" is en blijft vaak nu nog hun leidraad. Ze evolueerden niet altijd mee, ook al wegens vaak een gebrek aan informatie. Daar bracht Internet fel verandering in. Effe Googelen en je komt dikwijls en vaak veel dingen te weten.

Als liefhebbers me zeggen ik doe dit en dat zus of zo zal ik steeds naar het waarom er van vragen. Dat is heel belangrijk. De essentie in het ganse gebeuren is te weten waarom je wat en wanneer en hoe doet, of zoals ik al eerder stelde, te weten waarmee je bezig bent. Iets in het drinken of over het voer kieperen omdat je ergens leest of hoort dat anderen het ook doen zonder effectief te weten waarom is niet meteen de meest aangewezen manier van doen me dunkt

De sprinters

Denken al stilletjesaan aan de eerste wedstrijdvluchten. Dingen gaan soms sneller dan je denkt. Oude dons en overtollig vet van bijvoorbeeld de winterkweek moeten er nu wel vlug uit en af. Je komt beter met ranke slanke atleten aan de start. Fitte duiven hebben een betere conditie. Die betere conditie zal er ook voor zorgen dat de duifjes beter en makkelijker gezond blijven. Bij twijfel is een uitgebreid onderzoek door een gespecialiseerde duivenarts geen overbodige luxe. Duifjes die maar wat zitten te zitten of rond het hok hun dagelijkse toertjes vliegen, daar zie je nog niet zo vlug iets “verkeerds” aan. Anders wordt het als de stress van het opleren, het vervoer, de competitie enz er aankomen. Niet op en top gezonde en fitte diertjes vallen dan al gauw door de mand.

Een voer rijk aan verschillende soorten ruwe celstof zal er voor zorgen dat de darmpjes mooi opgeschoond worden. Het belang van een gezonde darmfora is niet te onderschatten. Bakkersgist, sedochol, een licht theetje, probiotica, een Mikro-Biotikum, zijn dingen waarmee je gericht bij kan sturen om je beestjes perfect aan de start te krijgen. Goed begonnen is al half gewonnen

Eddy Noël

Conditioneren
23-3-2009

Hard kunnen lopen is wel leuk. Kim Gevaert was onze Belgische rots in de branding als het op de 100 en 200 meter aankwam. Won heel wat en het komt daar op een paar honderdsten van een seconde aan. Start gemist is meteen kansloos. Ze “gooien” zich ook werkelijk over de finishlijn. Een goeie start, snel zijn onderweg en een “perfecte” aankomst zijn de bepalende factoren voor winst of verlies.
Dat kunnen we perfect vergelijken met wat we met onze duiven moeten nastreven Hard vliegen alleen is ook niet voldoende als ze geen goede start nemen en bij thuiskomst veel of te veel tijd zouden verspillen. Op de vitessevluchten gaat het snel en elke seconde is er meestal eentje te veel al kan het op gelijk welke afstand het verschil uitmaken.

Het “karakter” van de duif speelt ook mee maar meestal is de liefhebber er zelf de oorzaak van dat duiven niet goed binnenlopen. Op vele plaatsen is elektronisch constateren op de vitesse nog niet toegelaten Als je duiven “verkeerd” pakt zullen ze al rapper nalaten onmiddellijk binnen te lopen na de vlucht. Wat dat betreft is elektronisch constateren een zegen.

We kunnen er als liefhebber voor zorgen dat onze duifjes goed binnen komen. Zouden ze het als jong niet aangeleerd zijn kunnen we dat vooralsnog met zowel oude als jaarse duiven en daar is het op dit ogenblik eigelijk het meest geschikte moment voor. Net voor het seizoen is een ontslakkingsperiode aangewezen. Veel ruwvezel in het voer schoont de darmen. ’t Is niet het “smakelijkste” voer voor onze beestjes, ze eten het minder graag maar honger is nogal dikwijls eens de beste saus wist mijn grootmoeder zaliger. Van dat voer geven we ze dan nog maar bij mondjesmaat om niet alleen de darmpjes maar eveneens het ganse lichaam te zuiveren. Ideale omstandigheden dus om de duifjes te “leren” luisteren, conditioneren zeg maar. Ze zijn al lang door de rui heen dus een dagje of misschien voor sommigen onder hen wel meerdere zonder of met weinig voer kunnen geen kwaad.

We zorgen er in eerste instantie voor dat we een tijdje de duiven zo voederen tot er eentje per tien gaat drinken. Tijdens dat voederen gebruiken we het signaal wat we willen gebruiken om onze duiven binnen te roepen. Dat kan zelf fluiten, dat kan een fluitje, een belletje of eender wat zijn, als we maar steeds hetzelfde gebruiken. Een vast belsignaal of ander mechanisch geluid zijn aan te raden boven het zelf fluiten. De reden daarvoor is dat de intonatie van wat we zelf doen nogal eens kan verschillen. Rustig in de week, eerder zenuwachtig of toch meer gespannen als de duiven van een wedstrijd terugkomen. De liefhebber merkt het misschien niet eens zelf maar de duiven vast en zeker wel. Een elektronisch of mechanisch gestuurd signaal zal steeds hetzelfde zijn. Geven we nu gelijktijdig met dat signaal voer, kennen onze diertjes dat binnen de kortste keren. Eens ze het kennen kunnen we van start.

Duiven die honger hebben vliegen niet zo graag en zeker niet veel. Daar houden we dus rekening mee. Stel, je voedert je duiven tegen 18 uur, dan laten we ze der uit zo’n minuutje of vijf voor 18 uur. Tegen 18 uur het signaal, eenmaal! Komen ze niet meteen hebben ze pech. Signaal is voer’s en enkel en alleen als er het signaal is. Daar moeten we van meet af aan zeer consequent in zijn. Ze kunnen nadien binnenkomen als ze willen maar ze roepen, of met andere woorden het signaal geven doen we niet meer. Geen signaal is ook geen voer. Anderendaags hetzelfde, en zou het de eerste niet lukken, lukt het voor een deel de tweede dag vast wel. De duiven die onmiddellijk reageren op het signaal worden beloond met voer. We voederen beetje bij beetje tot er eentje per tien zowat gaat drinken en klaar. Herhalen we dat een paar dagen zal je merken dat de duiven het perfect kennen. We herhalen het tot ze bij het horen van het signaal rechttoe rechtaan naar de valplank vliegen en binnenlopen.

Staat dat op “poten” gaan we een stapje verder; Vanaf het weer het toelaat rijden we met de duiven een paar kilometerkes weg. We lossen ze en zorgen er voor dat iemand thuis ze opwacht en het signaal geeft. Alweer éénmalig dat signaal en wie niet snel genoeg is…..
Dat herhalen we eveneens een paar dagen tot ze ook daar rechttoe rechtaan de valplank op vallen en binnenlopen. Na een paar oefeningskes wordt het voor de duiven een automatisme van wanneer ook ze het signaal horen onmiddellijk naar binnen te lopen.

Eens ze het kennen laten we ook de duiven steeds wat vroeger der uit. Aangezien we ze toch voederen tot er ééntje of twee gaan drinken per tien zullen ze naargelang ze langer vliegen ook meer gaan eten. We kunnen dat geheel zo opbouwen tot ze makkelijk een uur in de lucht staan. Wegtrekken hoeft op dit ogenblik vast en zeker nog niet
Rond het hok hun rondjes draaien is perfect. Basisconditie opbouwen, het hart, de ademhaling en de spieren terug aan het werk zetten, ze voorbereiden op wat komen gaat. Hoe beter de basisconditie des te beter, makkelijker en langer we de conditie en vorm aan kunnen houden.

Allerbelangrijkst in het verhaal is dat de liefhebber de “regeltjes” zeer consequent toepast.
• Signaal slechts eenmaal geven
• Enkel het signaal betekent voer
Geloof me vrij, ze weten het verdomd snel. We maken dan ook gebruik van één van de basisinstincten van onze duiven, namelijk de drang naar voer, het voorzien in levensonderhoud.

Snel starten kunnen we de duiven eveneens aanleren. De belangrijkste rol hierin speelt de oriëntatie en ook die kunnen we trainen. Hoe beter de conditie en vorm van de duif trouwens hoe beter en sneller ze zich zal oriënteren. Dat is niet alleen van belang voor een goede start maar duiven in betere conditie en vorm zullen ook in een “rechtere” lijn naar huis vliegen. In rechtere lijn is dus sneller. Die duiven vliegen niet per definitie sneller maar zijn wel sneller thuis. Voor goed getrainde vitesseduiven is het zo dat ze een flink deel van het af te leggen traject op herkenning kunnen vliegen en ook dat gaat sneller dan dat ze toch steeds maar weer moet oriënteren en heroriënteren.

Hoe dan ook, duiven zijn en blijven kladvliegers. Er zijn er een deel die kop trekken en een deel ervan die gewoon volgen. Voor de volgers kan dat in de juiste richting zijn maar al even goed ook in de verkeerde. Stel dat het in de juiste richting is en die van je buurman komt gelijktijdig met je eigen beestje toe zal je gelukkig zijn dat je de tijd nam je diertjes goed en degelijk te conditioneren. Voor de weinige moeite die je er in moest steken wordt je ruimschoots beloond want terwijl die van je buurman nog naarstig enkele ererondjes toert zit jouw duifje al netjes wat snoepzaad op te pikken en te genieten van de aandacht van zijn of haar partner. Op het uitslagenblad zal dat zeker te merken zijn. Winst of verlies, het zit em nu eenmaal in kleine dingetjes.

Koerier Special - De moderne duivensport
23-12-2008

Samen met de Belgische reporter Eddy Noël ging Jos Voortman van Koerier Duivenfilms op pad om de moderne duivensport te filmen op de hokken van twee Belgische grootmachten:

  • De Kannibalen der Belgische Nationale Vluchten - tandem Vanhove-Uytterhoeven
  • De Jonge Honden uit Berlaar - vader en zoon Paul & Jelle Roziers

Deze vier uur durende dubbel DVD kan je bestellen aan 30 euro per stuk door een email te versturen aan Eddy Noel: eddy.noel@telenet.be.

Zie voor meer info Koerierspecial 2008 of bekijk onderstaande foto's:

Het kan altijd beter!
17-12-2008

De beurs te Oostende hebben we weer achter de rug. Puike organisatie, veel volk en meer moet dat niet zijn. Natuurlijk zijn er altijd dingen voor verbetering vatbaar, maar misschien is het wel “te eigen” aan mensen, eerder alleen het negatieve te zien en het positieve als maar heel normaal te beschouwen. Dat positieve is er echter ook niet vanzelf gekomen en het is niet omdat je anderen “afbreekt”, je zelf beter wordt. Vaak is het zelfs zo dat wanneer je iets zelf moet doen, het plots veel moeilijker blijkt dan aanvankelijk gedacht of dan wanneer je van de zijlijn kan toekijken.

Door dingen gewoon te doen kan je ze leren, door aan te voelen, te zien, te kijken en te vergelijken kan je beter worden en verfijnen. Niets is eeuwig en wat gisteren goed was is dat morgen misschien helemaal niet meer. Records zijn er om gebroken te worden, en hoe scherp ze ook zijn, gebeurt dat toch telkens weer. Betere technieken, betere materialen, optimalere trainingsschema’s, betere voeding, betere gezondheidszorg, het ook beter afstemmen op elkaar van al die dingen zorgen er voor dat het steeds beter en sneller en hoger enz kan. Net als je denkt, dit is vast de limiet, gebeurt het toch weer.

Het is nog niet eens zo heel lang geleden dat in bijvoorbeeld een ronde van Vlaanderen door de aaneenschakeling van de steeds weerkerende klimmetjes nog amper een paar renners, of soms zelfs niet, aan de muur van Geraarsbergen begonnen. De Poggio in Milaan San Remo, idem dito, terwijl daar de dag van vandaag gewoonweg een ei zo na gans peloton overdendert.

Wel in ons duivenpeloton is dat niet anders. Zelfs bij extreem zware vluchten, en dan spreek ik niet van rampvluchten, zijn gewoonweg binnen de kortste keren de prijzen netjes verdeeld. Ook hier hetzelfde fenomeen. Zowat iedereen heeft de kans zich betere diertjes aan te schaffen, een betere infrastructuur, betere begeleiding, beter geïnformeerde liefhebbers, beter gevoederde dieren enz spelen hierin hun rol. Trainen is al lang niet meer een paar toertjes rond het hok vliegen. Voederen is al lang niet meer een beetje voer op het hok gooien. Spelen is eveneens al lang niet meer hier en daar een paar duifjes van het hok vangen en de mand in duwen. Als ze op pakweg Bourges 25.000 duiven lossen blijft dat net zoals in de wielrennerij veel langer een geheel compact peloton. Dat is ook de reden waarom de wind en ligging meer en meer hun invloed hebben. Duiven zijn en blijven ten slotte kuddebeestjes. Kuddebeestjes die alsmaar beter verzorgde, beter getrainde, beter gevoederde enz. topatleten zijn.

Willem Mulder ken ik al een flink aantal jaren. Hij is specialist betreffende dierenvoeding, meer specifiek duivenvoeding en het leuke er aan is dat het eigelijk niet echt zijn werk maar veeleer hobby is. Hobby is nog licht uitgedrukt, noemen we het maar passie. Er gebeurt niets in zijn vakgebied of Willem weet het wel. Altijd op zoek, altijd aan het uitproberen, altijd aan het testen en opnieuw zoeken, proberen en testen. Willem is Nederlander en is in de Belgische markt gestapt, waar tal van voederfabrikanten bij manier van spreken op anderhalve vierkant meter van elkaar gepositioneerd zitten En dan kan je zo met je ellebogen aanvoelen dat het geen makkelijke opdracht wordt. Elk van die firma’s zit bovendien met kwaliteitsvoer op de markt en dan ben je geneigd te denken, dat wordt onmogelijk. Toch is het een gigantisch succes. Er moet dus ergens toch wel een meerwaarde in zitten.

Je kunt granen en zaden zodanig mengen dat de samenstelling mooi oogt. Diverse kleurtjes en mooi opgepoetst geven een prachtig “beeld” naar de liefhebber toe. Alleen moeten we niet vergeten dat niet de liefhebber het voer op moet eten maar wel de duif. Van die duif verwachten we bovendien dat ze mede door dat voer een topprestatie levert. Het komt er daarom op aan een mengeling niet mooi maar vooral zo efficiënt mogelijk te maken zodat het dier zo optimaal mogelijk zou kunnen presteren wat wij er van verwachten.

Misschien ziet het er dan allemaal op het eerste zicht iets minder vertrouwd uit, maar voeding in topsport is dermate belangrijk dat daar makkelijk winst of verlies in kan zitten.
Namaak is natuurlijk van alle tijden maar de wetenschap erachter is er niet en dan sta je er als liefhebber uiteindelijk toch weer alleen voor. Details komen dan niet uit de verf en daar zit hem nou precies de kneep.

Hout en hout is twee keer hout. Eik, beuk, canada….. het ene brandt bijvoorbeeld al rapper dan het andere als je het in de kachel zou gebruiken. Als je op een koude winteravond de kachel aanmaakt en je gooit er een blok populier op zal dat in eerste instantie wel hevig branden, doch al snel opgebrand zijn waardoor je een deel van de avond in de kou zou moeten zitten. Eikenhout bijvoorbeeld zou dan weer minder intensief maar langer gaan branden. De combinatie van de twee kan er net voor zorgen dat het en warm genoeg is en toch lang genoeg gaat branden om  gezellig de avond door te komen. Natuurlijk kunnen we hout bij in de haard doen maar om het vergelijk te maken met onze duiven, die kunnen onderweg geen energie bijtanken en zullen het dus moeten doen met wat wij ze hebben meegegeven.
 
Het voer wat wij ze geven is ten slotte de brandstof die de energie moet gaan leveren om het duivenlichaam toe te laten top te presteren. Die energietoevoer en de verbranding er van moet zo efficiënt mogelijk met zo weinig mogelijk afvalstoffen kunnen gebeuren voor een zo optimaal mogelijk resultaat. Koolhydraten zijn dan ineens niet meer gewoon koolhydraten. Zo  zijn er bijvoorbeeld korte koolhydraatketens, middellange en zeer lange koolhydraatketens

Vetten? Er zijn vetten bij de vleet, goede en minder goede, elk met hun eigen vetzurenpatroon en ook dat is bijzonder belangrijk. Die vetzuren zijn namelijk de belangrijkste brandstof voor onze duiven. Zonnebloemolie of koolzaadolie, op het eerste zicht gewoonweg twee keer olie zondermeer, maar toch met een wereld van verschil.

Zo heeft elk graan en elk zaad zijn welbepaalde eigenheid en van die wetenschap kunnen we gebruik maken om onze duiven beter te laten presteren. Voor het kortere werk gebruiken we die granen en zaden en in die verhoudingen als energiebron dat ze op kortere tijd veel en makkelijk verbrandbare energie leveren. Moet er langer gevlogen worden, worden het andere granen en zaden in weer andere verhoudingen om het duivenlichaam toe te laten langer snel te vliegen. Een fondmengeling zal er dan weer nog helemaal anders uitzien.

Op de beurs was er bijzonder veel interesse. Mensen willen wel eens weten waar nu precies het succes vandaan komt en wat zo anders is dan anders. Liefhebbers zeggen dan wel eens: Ik doe het al jaren zus of zo en dat gaat goed. En terecht, als je dan die liefhebbers naar hun voersysteem vraagt is dat effectief ook goed! Wat goed is moet je niet drastisch gaan omgooien, maar dat betekent al evenmin dat het niet voor verbetering vatbaar is! Zoals de titel van dit artikel al zei, alles kan altijd beter, en moeten we daar als duivenliefhebber niet steeds naar op zoek?

Als liefhebber leer je ook je voer te “gebruiken”. Zuivering is niet altijd zuivering om maar een voorbeeld te geven. Er zijn zuiveringsmengelingen die pakweg 3 percent vet bevatten en er zijn er die wel tot 6 percent bevatten. Da’s niet alleen het dubbele, het zijn misschien wel geheel verkeerde vetzuren als je er wekelijks alleen maar de kortste afstand mee zou vliegen. Zuiveringsmengeling A is misschien goed als je wekelijks 100 km vliegt maar kan ontoereikend zijn als je daar bovenop je duiven dagelijks een flink end zou gaan lappen. De perfecte mix in een perfect schema bestaat niet echt omdat de situaties toch weer telkens anders zijn.
 
De meest perfecte voeding is waardeloos als verder niet het gehele cirkeltje rond is. Niet gezonde, slecht gehuisveste, onvoldoende of verkeerd getrainde duiven zullen er ondanks goed uitgebalanceerd voer niets van bakken.
Een wielrenner met veel talent, die alle dagen frietjes en de nodige hamburgers naar binnen werkt, zal harder en meer moeten trainen en zijn lichaam zal meer en sneller slijten om een topniveau te halen dan een op alle gebied goed begeleide wielrenner als een Sven Nijs. Je kunt dan wel wat geluk hebben een wedstrijd op niveau te fietsen maar het gehele seizoen met de besten willen meedraaien zal wel wishfull thinking zijn.

Een goed uitgebalanceerd voer beoordeel je ook niet op anderhalve week maar over een geheel seizoen. Net die weloverwogen samenstelling belast het organisme veel minder met afvalstoffen. Meer energie kan op die manier zuiniger aangewend worden om makkelijker thuis te komen, makkelijker te herstellen, vlugger en vlotter terug de energievoorraden aan te leggen voor alweer een volgende vlucht enz.

Doe er uw voordeel mee.

Eddy Noël

De kweek en kweekvoer
10-12-2008

Ver weg is die kweek niet meer voor wie aan winterkweek wil gaan doen. Voor kweekduiven die opgesloten zitten en dus niet in contact komen met andere duiven mag het geen probleem vormen gezond te zijn en te blijven. Uitzonderingen bevestigen steeds de regel maar hoe dan ook blijft een natuurlijke vitaliteit de allerbelangrijkste basis om een degelijke duivenstam op te bouwen. Dat geeft geen garantie op goeie jonge duiven maar wel op gezonde vitale dieren en daar heb je nu eenmaal veel meer kans mee dan met duiven waar je constant moet aan zitten knoeien om ze min of meer overeind te houden.
Bekijk het als een treinstel waarbij je de locomotief en een deel wagonnetjes hebt. De locomotief zijn gezonde, vitale duiven. Zo’n treinstel met degelijke locomotief op de sporen zetten en het vervolgens in beweging krijgen is de moeilijkste taak. Dat vergt wel 80 percent van de energie. Eens alles in beweging wordt het gelukkiglijk alleen maar makkelijker. Hoe beter de locomotief, des te beter en vlotter het gehele treinstel zal bollen

Vastzitters

Kweekvogels krijgen niet vaak of soms geheel niet de kans uit te vliegen. Het is dus zaak die zo optimaal mogelijk te verzorgen. Een heel belangrijk onderdeel daarin is vast de voeding. Mede door de stijging van de graanprijzen is het nu net daarop dat liefhebbers al eens willen besparen. Niet alleen de kwaliteit van de granen en zaden is daarin belangrijk, ook de samenstelling van het kweekvoer is dat.

Door het feit dat die duiven niet uitvliegen is het in eerste instantie zaak ze een perfect uitgebalanceerd voer te verstrekken. Vooral ook de duiven niet te zwaar te laten worden. Dat is een flinke rem op de conditie en geen goede conditie van de ouderdieren reflecteert zich hoe dan ook op de jongen in het nest. Hoofdzakelijk ruwvezelvoer is nu op zijn plaats. Ze komen er dan mooi en perfect glad bij te zitten. Drie à vier voerbeurten met een goed kweekvoer, lees eiwitrijker voer, volstaan ruimschoots om de duiven in de gewenste vorm te brengen om gekoppeld te kunnen worden.

Gezondheid

Wie er nu nog wat moet aan doen is rijkelijk laat. Ruim van tevoren op controle gaan bij een gespecialiseerde veearts is aan te raden. Scheelt er wat is er nog genoeg tijd de duiven desnoods te behandelen als dat dan al nodig zou zijn. Na zo ’n kuurtje of behandeling wat probiotica verstrekken is niet verkeerd. De darmflora wordt er mee geholpen zich terug te stabiliseren en dat helpt de duiven in conditie te komen. Eens dat een “feit”, kan je ze naar de gewenste vorm toe voederen. Dan wordt kweken, zelfs al is dat in de winter eigelijk een makkie.

Bijlichten kan daarbij ook helpen het zaakje wat vlotter te laten verlopen. Best geschikt zijn daglichtlampen in hoogfrequente armaturen.
Wat extra E vitaminekes kunnen de drift wat aanwakkeren. Vit D vervangt zowat het natuurlijke zonlicht.

Als de temperaturen zacht zijn en het zonnetje komt nog regelmatig piepen kan dat duiven die al goed door de rui zijn in een zekere vorm doen komen. Een te rijke voeding met veel maïs er in zal ook snel de duiven doet vervetten en precies dat hebben ze nu helemaal niet nodig in een goede voorbereiding.

Met een kweekvoer, dat vaak traditiegetrouw 14 dagen voor de koppeling wordt gegeven is het ook al niet veel beter gesteld, in tegendeel, ze worden er moddervet van en dat kan toch niet de bedoeling zijn. Juist het rank en slank zitten in een super goede conditie is op dit ogenblik een groot voordeel en dat bereikt u daar niet mee. Beter is het de voeding vezelrijk te houden en de eiwitten te beperken.

Op broeden

Broedende duiven hebben ook behoefte aan meer ruwvezel in het voer terwijl het er voor ouders met jongen in het nest op aankomt een degelijk goed benutbaar eiwitgehalte in het voer te hebben. Traditiegetrouw evenwel is de winterkweek het sein voor voerfabrikanten om allerlei acties te starten en mogelijks wel met het goeiekoopste voer op de markt te komen. Is duur voer per definitie goed voer? Neen, dat is niet zo. Is goedkoop voer per definitie slecht voer, neen, dat is ook helemaal niet zo!!

Er zijn een paar dingen die we in het oog moeten houden als we kweekvoer aanschaffen. Zo kunnen we er rekening mee houden dat er niet te veel maïs in mag zitten en dat die bovendien niet te groot is. Maïs bevat in hoofdzaak koolhydraten. Dat kan goed zijn voor de ouderdieren om zich makkelijker warm te houden als het bijzonder koud zou zijn, maar de opgroeiende jongen hebben er zo goed als helemaal niets aan. Dan is het als fabrikant een beetje de gulden middenweg zoeken.

Maïs drukt de prijs waardoor de mengeling misschien commercieel wel aantrekkelijker wordt maar het tegelijkertijd minder goed voor onze duiven en al zeker voor onze toekomstige jongen is. Die beginnen daar dan mee te gooien en de liefhebber betaalt de prijs. Het is nog alleen te verantwoorden als de omstandigheden voor onze winterkweek echt wel "winters" zijn.

Iedere liefhebber weet uit eigen ervaring dat duiven tijdens de kweek heel makkelijk de maïs laten liggen. Dat komt omdat dieren instinctmatig aanvoelen wat ze nodig hebben om hun kroost in beste omstandigheden groot te brengen. Zou je ze "verplichten" de maïs op te eten zullen ze dat na verloop van tijd natuurlijk wel doen. Alleen dien je er rekening mee te houden dat eens het duifje uit het ei als piepklein dingentje een heuse speenklare duif wordt in amper 22-25 dagen.

 

Van pas gekipt jong in 22-25 dagen naar speenklare jonge duif

Elk, maar dan ook elk mankement in de opgroei zal zijn sporen nalaten in de latere sportieve carrière van de duif. Voorkomen is dus beter dan genezen.
Eten ze de maïs niet op en je hebt kippen, kan je die natuurlijk nog altijd daar aan voederen. Of er dan uiteindelijk nog wat overblijft van het prijsvoordeel bij aankoop is maar zeer de vraag.

Erwten, het volgende "kwaad". Meer erwten in een mengeling drukken meestal alweer flink de prijs van die mengeling. Maakt die mengeling misschien alweer commercieel aantrekkelijker maar de duif is er niets mee. Erwten bevatten veel eiwitten maar het probleem van eiwitten uit die erwten is dat ze maar voor 1/3 e deel opgenomen worden. Van een mengeling met 30 percent erwten is er amper 10 percent benutbaar waar de duif en de opgroeiende jongen wat mee kunnen. Die overige 20 percent dienen te worden "verwerkt" door het duivenlichaam zonder dat het er ook maar iets aan heeft. Dat is zeer en dan nog onnodig belastend en wel dusdanig, dat het meer energie kost om die ballaststoffen kwijt te geraken, dan de energie die het bevat.
 
Heel erg efficiënt kan je een dergelijk voer dan al niet meer noemen. Maïs voor de kippen en 20 percent van de erwten die gewoon achteraan de duif er weer uitkomen en alleen maar de mesthoop vergroten. Dan hebben we nog de tarwe die we ook alleen maar om reden van de goedkope prijs in behoorlijke percentages wordt aangeboden. Ook van tarwe worden de duiven vet en een deel van dit graan vinden we terug in de voerbak. Eet dat zelf maar op zo maakt de duif ons melkers duidelijk. Een boodschap die helaas lang niet altijd overkomt.
In dit soort gevallen is goedkoop alleen maar duurkoop!

Helaas is dit verhaal vaak tegen dovemansoren gezegd, net als in de ruiperiode. Die oortjes zijn dan gewoon dichtgeklapt en kunnen of willen niets opnemen. “Ergens” weten ze het wel hoor maar hier spreekt alleen de portemonnee en de fabrikant die speelt daar gewiekst op in. Jammer, weg mooie kweekronde, weg toekomst, weg hokverbetering.

Ook de beperkte eenzijdigheid van dergelijke mengelingen kan snel voor problemen zorgen. We weten eigelijk goed dat alle essentiële aminozuren in het voer aanwezig dienen te zijn om een optimale groei te bewerkstelligen. Eenzijdige mengelingen qua eiwit brengen dat helemaal niet. Alweer een reden om het toch wel heel anders te doen.

Beter zou het zijn om een veel lager maïs percentage te kiezen, duidelijk minder tarwe en erwten. Daar kunnen we vlot en makkelijk alternatieven voor aandragen die hoger opneembaar zijn. Ook zullen we moeten kiezen voor de juiste granen en zaden om de essentiële behoeftes te garanderen en zeker al voor constant opgesloten duiven. Dat vraagt om kennis van zaken en niet om een stelletje goedkope granen en zaden bij elkaar gemengd via de computer.

Een goed, wel overwogen en volgens de regels van de kunst samengesteld kweekvoer dekt makkelijk alle behoeftes en noden van de ouderduiven en opgroeiende jongen, en dat zelfs helemaal zonder dat daar verder allerlei bijproducten dienen gebruikt. Zowel uw budget, evenals de ouderdieren en uw toekomstige kampioentjes zullen er wel bij varen! Probeert u het maar eens!

Weerstand en immuniteit (1)
17-10-2008

Twee verschillende dingen maar wel twee hele belangrijke in de” hedendaagse” duivensport. Medische begeleiding mag dan al wel een mooi woord zijn, als je het mij vraagt wordt dat de ondergang van de sport. Je kunt dingen gebruiken en je kan dingen misbruiken. Dat is nu precies waar het schoentje wringt.

Je ziet en hoort en leest veel. Van horen vertellen hoor je echter ook veel liegen. Ik schreef eerder al dat niemand wat geeft als je het zo hoort en leest terwijl duivenartsen spul aan de man brengen dat het niet meer mooi is. Het wordt dan nog gepromoot bovendien. Er is zo iets als “medische begeleiding” en wat “kampioenen” geven zal wel goed zijn. Firma’s spelen daar handig op in en dan zie je liefhebbers vandaag in deze en morgen ineens in een andere advertentie opduiken. Je mag rustig 50 vliegduiven houden, die kan je makkelijk stuk per stuk en dagdagelijks van een “aangepaste” (??) begeleiding voorzien. Ik stel maar weer de vraag: Wie wordt daar uiteindelijk beter van, maar vooral, wordt de sport in zijn algemeenheid daar wel beter van?

Het is en blijft een hekel onderwerp. Wij duivenliefhebbers zijn niet allen geschoolde medici en dat hoeft ook niet. Als ik dan zie dat sommige collega’s, en misschien wel tegen beter weten in, gewoon en simpelweg oneigen gebruik van medicijnen promoten als zijnde prestatiebevorderend of om toch maar zeker te zijn dat er niets “miskomt” aan de duifjes word ik ongemakkelijk. Het heeft er helemaal niets mee van doen als zouden er geheimen zijn. Het heeft er eerder mee te maken dat wat in eerste instantie een mooi cadeau met bijhorend strikje schijnt te zijn, op relatief korte termijn een verschrikkelijke en stinkende mesthoop van jewelste wordt, een rotzooi waar lievemoederen van geen kanten meer helpt.

Gelijk welk medicijn je ook maar gebruikt, het is goed voor één ding en slecht voor vele andere. Bijwerkingen of neveneffecten staat dat mooi omschreven op de bijsluiter. Is dat wel belangrijk? Neen toch? Presteren en enkel en alleen presteren is belangrijk en daar gaan we maar weer………

Van horen vertellen zeg je?

Mmmmmmmmm Ze komen niet meer zo goed mijn pluimenbollen
Oei, hoe komt het, zijn ze ziek?
Kweet het niet.
Ow, Euh?
Ik moest ooit eens drie dagen Soludox geven, man dat had ge moeten zien, nen uitslag als nooit tevoren. Dat was nu es wat goeds se. Ik doe het sindsdien elke week maar het is me toch al een tijdje niet je dat meer. Zou er misschien iets anders zijn dan wat ze gebruiken nu?

’t Is echt ’t is heus ’t is raar maar waar

Neen hoor, ik verzin dat hier niet zomaar te plaatse. ’t Is echt wel en spijtig genoeg waar gebeurd en een verhaal zoals er nog wel meerdere zijn. Deels misschien wel uit onwetendheid en omdat er niet verder gekeken wordt dan de eigen neus lang is. Sommigen ook wel helemaal doelbewust met de idee dat die dingen prestatiebevorderend zouden werken. Ik schrijf bewust zouden, want ook aan de allermooiste medaille is een keerzijde.

Als het nodig is, is het nodig, punt uit en daar geen discussie over. Ook duiven kunnen ziek worden en het zou niet netjes zijn de dieren niet gepast te verzorgen als daar de middelen toe zijn. De vraag wordt meer en meer waar nu precies de grens ligt tussen verantwoord medisch “gebruik” en misbruik. We zijn al lang zo ver dat dosissen steeds maar verhoogd dienen te worden en die hogere dosissen bovendien ook langer gegeven moeten worden . Alsof dat nog niet genoeg is wordt er rustig van alles en nog wat gemixt. Ook dat wordt ondertussen “suikerwater” voor de meeste ziekteverwekkers. Op het end hebben we nog alleen maar een zielig hoopje pluimen over. Duivenliefhebber –duivenmelker weet je wel?

Weerstand en immuniteit

Gaan we eventjes op zoek naar het woord “weerstand” in het gekende dikke Van Dale woordenboek vinden we als omschrijving terug: Kracht om weerstand te bieden tegen vermoeidheid of ziekte

Zoeken we onder het woordje immuniteit luidt de omschrijving: Onvatbaarheid voor ziekte of vergif

Natuurlijk weerstand/afweer

Natuurlijke weerstand kunnen we omschrijven als de inspanningen die het lichaam doet om te voorkomen dat je ziek wordt. De afweer is dan weer een deel er van. Het zijn de eerste obstakels waar de ziekteverwekkers mee te maken krijgen alvorens ze het lichaam in kunnen dringen.
Bij onze duifjes zijn dat bijvoorbeeld onder andere het maagzuur. Dat zuur creëert een ongunstig klimaat voor de ziekteverwekkers.
De trilhaartjes in de luchtpijp bijvoorbeeld houden het stof en eventuele bacteriën tegen en voeren ze terug naar buiten. Ik kan hier trouwens refereren naar een bijzonder interessant artikel van de hand van dierenarts Dr. Geert de Schepper.
Een andere belangrijke schakel in die afweer is bij voorbeeld de darmflora. Die darmflora is in feite niets meer dan een laagje bacteriën en zolang dat intact blijft wordt voorkomen dat schadelijke bacteriën zich zomaar kunnen vermeerderen.

Immuniteit

Een ander onderdeel van de natuurlijke weerstand is het immuunsysteem
Kort omschreven is dat een systeem dat heel specifiek kan reageren op de indringende ziekteverwekkers. Zo kan het immuunsysteem indringers, en vreemde “dingen” leren herkennen en ze vervolgens ook nog opruimen.

Door het feit dat het immuunsysteem kan leren herkennen kunnen we daar gebruik van maken door entingen zoals daar bijvoorbeeld zijn pokken, paramixo, paratyfus, te gebruiken om het lichaam, meer bepaald het immuunsysteem te laten reageren op de ingebrachte stoffen. Vanaf het moment dat de “echte” ziekteverwekker om de hoek komt kijken herkent het immuunsysteem de indringer en zal deze onmiddellijk te lijf gaan waardoor ziek worden vermeden kan worden.Dat gebeurt dus sneller en doeltreffender dan wanneer het lichaam nooit eerder in contact zou geweest zijn met desbetreffende ziekteverwekker.

Het is echter een bewezen feit dat immuniteit verkregen door inenten, van veel kortere duur is dan wanneer het lichaam moet reageren op natuurlijke “indringers”.

Als we daar nu de lijn door zouden trekken naar onze duiven toe

Entingen geven een welbepaalde bescherming, een welbepaalde mate van immuniteit. Die entingen zijn zeer beperkt inzetbaar. Pokken en paramixo entingen geven een relatief goede bescherming terwijl over paratyfusentingen de meningen eerder verdeeld zijn, al doet dat er hier niet meteen toe. Feit is, dat we het tot nader order daarmee wel gehad hebben. Voor alle andere mogelijkheden van besmetting zal het organisme dus zelf moeten zorgen dat het de indringers te lijf gaat en overwint. Hoe “sterker” het organisme, hoe meer “natuurlijke” weerstand, des te makkelijker het organisme de indringers zal kunnen aanpakken.

Daarom is het van het allergrootste belang zeer streng te selecteren op natuurlijke gezondheid en weerstand.

Externe factoren

Er zijn echter nog een pak externe factoren die het spelletje meespelen en het afweersysteem van de dieren kunnen verzwakken. Stress is er daar onder andere eentje van. Te zware belasting door te veel en/of te zware vluchten ondermijnt eveneens die weerstand. De allergrootste storende factor hierin echter is absoluut het gebruik van medicatie, maar hierover meer in deel 2 van weerstand en immuniteit.

Kan het niet zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan.

Eddy Noël

Van Bourges naar Argenton
1-9-2008

De poll over Bourges nationaal op de nieuwe website van Pitts.be leverde maar liefst 4.150 stemmen op. 3.111 daarvan vonden dat we voor de openingsklassieker niet konden spreken van een normaal vluchtverloop.
Het was inderdaad meteen een harde noot om kraken. Te hard voor heel veel  jonge duifjes. Een pak daarvan slaagden er niet in nog dezelfde dag de veilige thuishaven te bereiken.
Met het oog op het nationale vluchtprogramma voor jonge duiven een beetje vervelend eigelijk. Dagje over zitten (drie dagen mand dus) en dan al dezelfde dag niet meer thuis raken betekent in het beste geval maandagvoormiddag thuis. De volgende confrontatie, met name Argenton komt op dat moment al akelig dichtbij, of niet? Voor sommigen wel, voor anderen dan weer niet blijkbaar.

Indien we even een korte objectieve analyse mogen maken?

Als we weten dat de duiven om 8 uur gelost werden en op meerdere plaatsen de wedstrijd 's avonds niet kon gesloten worden, hebben vele diertjes een flink pak extra vlieguren op de teller hebben staan..
Vervolgens dienen ze wegens niet thuis een nachtje buiten in weer en wind en regen door te brengen. De ochtend nadien dan maar weer verder op pad om ergens in de loop van de voormiddag thuis te komen.

Je hoeft niet meteen een rekenwonder te zijn om in te zien dat zo 'n duif er vele uren vliegen en een pak kilometers op heeft zitten. Zelfs de betere duiven van een Barcelona bijvoorbeeld doen er minder lang over en we hebben het hier in het geval van Bourges en voor alle duidelijkheid over jonge duiven.

Niet één zichzelf respecterend fondliefhebber die pakweg een St Vincent, een Montauban of bijvoorbeeld Barcelona speelt, en dat dan nog met oudere, meer ervaren en sterkere duiven, haalt het zich in zijn hoofd die duiven de week nadien of laat nog maar staan twee weken nadien terug de mand in te steken. Nochtans hebben die duiven gemiddeld genomen minder lang gevlogen dan het gros van de jongen dat op Bourges deden! Hoe kan dat nu?

De nationaals en ook al gaat het mis, er zijn er vier en we spelen er vier. Planning is planning zeker?

Als je hiervan uitgaat is elke logica zoek. Je vertrekt niet van een "programma"of "planning" maar steeds vanuit de duif zelf. Duiven zijn geen machientjes waar je wanneer ze "leeg" zijn, gewoon simpelweg andere batterijtjes insteekt en vooruit met de geit dan maar weer.
.
Gaat het mis op een vlucht, zijn duiven op de dool of zelfs al hebben ze gewoon nog maar een vrij zware fondvlucht achter de kiezen, weten wij als duivenliefhebbers beter dan wie ook dat het dagen kan duren eer zo een duifje min of meer in die mate hersteld is dat het weer degelijk goed en snedig mee gaat trainen.
Duiven die niet trainen..... juist ja, daar kan je misschien nog net en in het allerbeste geval prijs mee winnen maar daar is dan ook alles mee gezegd.

Hoe doen ze het?

Is er een zinnige uitleg voor, hoe liefhebbers het klaar spelen om duiven, waarvan niet eens 20 percent dezelfde dag thuiskomt van Bourges, amper 4 dagen nadien, want ze zaten een dagje over, terug de mand in te krijgen voor een pittige halve fondvlucht om ze vandaar vervolgens via dan nog eens een paar extra trainingstripjes regelrecht naar Argenton te piloteren. Er kan in de voorbereiding van Bourges bijvoorbeeld iets fout gelopen zijn, maar duiven die zo diep in het rood zijn moeten gaan kunnen de dag erna niet ineens topfit zijn en beginnen trainen als gek, laat staan dat verplicht trainingen via lapvluchten het herstel kunnen bespoedigen

Laat dat 100 liefhebbers met elk 10 duiven proberen en een uitzondering niet te na gesproken kan je zo 'n duiven niet nog één prijsje laten vliegen, laat staan dat je die nog wel terugziet.

Boerenbedrog

Alles op een rijtje gezet en puur logisch redenerend mag het voor ieder rechtgeaard zinnig mens die ietwat de duivensport volgt of er mee te maken geeft meer dan duidelijk zijn dat hier iets niet helemaal koosjer is. Je kunt dan wel mooie verhaaltjes ophangen over sterkere duiven, betere kwaliteit, meer kennis en kunde, vakmanschap en een uitermate goede begeleiding door een batterij aan dierenartsen, en ook al mag dat dan nog iets bijbrengen, helemaal zal de vlag de lading in dit geval nooit dekken.

Een "systeem" zeg je? Laat u zich maar vooral niet om de tuin leiden. Systeem misschien nog net wel maar veel, en vooral heel veel geklooi en gerotzooi en wie dat anders vertelt liegt gewoon dat hij zwart ziet!

Niet één soort voer en ook al is dat namaak kan dat aanvullen, niet één en gelijk welk bijproduct kan dat. Ook niet liters olie of lecithine voor extra energie als evenmin liters of kilo's aminozuren, eiwitpoeders, vitaminen of mineralen, ook al zijn die vloeibaar of noem maar op kunnen dat opgelost krijgen, en dat simpelweg omdat we met levende wezens te maken hebben.

Is de tank van je wagen leeg, vul je die gewoon op of bij en rij je verder maar spijtig genoeg, alle mooie verhaaltjes ten spijt werkt dat bij onze duiven niet zo.

Niemand legt een foutloos parcours af. Fouten maken, het kan en mag zelfs gewoonweg iedereen gebeuren. Of je die meteen op moet blazen tot ver buiten proportie ter eigen meerder eer en glorie?
Negeer de fouten, probeer er uit te leren en accentueer het goede. Daar kunnen we in onze sport misschien vooruit mee komen.

Fouten herstellen is trouwens prima, maar weinig fouten kenmerken zich dat door het feit dat ze op een, twee, drie opgelost zijn laat staan dat het herstel onmiddellijk een kentering te weeg brengt. Vergeet niet dat we het nog steeds hebben over jonge beestjes die diep in het rood zijn moeten gaan en plots duizelingwekkend gaan presteren

Nietsontziende jacht op eeuwige roem

Is het de prestatie op zich, de manier waarop mensen of misschien wel de liefhebber zelf er tegenover staat die van diezelfde liefhebber een “topper” maakt? Wat is een “overwinning” je waard, waar trek je de grens en brengt het, alle superlatieven ten spijt, iets bij aan de duivensport?
Alleen maar “nemen” en altijd alleen maar nemen en profiteren en liefhebbers een rad voor ogen draaien, dat zijn de helden?

Eddy Noël

Spelen met jonge duiven (2)
10-8-2008

Als vervolg op het vorige artikel ons jonge duiven systeem nader uitgelegd.

Scheiden

De jongen worden pas een drietal weken voor de eerste belangrijke vlucht gescheiden gezet. We doen dat zo laat mogelijk, net om er voor te zorgen dat er zoveel mogelijk vaste koppeltjes gevormd zijn en eveneens bereikt de tegen die tijd de hormoonwerking ook zowat zijn top. Vaak lukt dat niet om alle duifjes gepaard te krijgen en daarom blijven ze na de vlucht op zaterdag samen tot en met maandagavond. De vaste koppeltjes worden dan "hechtere" koppeltjes, eventuele duiven waarvan een partner is weggebleven of die nog niet gepaard waren hebben ruimer de kans een partner te vinden.

Het ritme

Op maandag worden ze ook elke week es weggebracht tot zowat 20-25 km. Je houdt er het ritme in en het geeft vertrouwen aan de beestjes. Na die trainingsvlucht kunnen ze nog wat stoeien om na het avondeten terug gescheiden te worden tot de dag van inkorving. Dan gaat terug het deurtje open. De vaste koppeltjes worden na een uurtje in de mand gezet. De rest blijft nog op het hok voor een tijdje omdat naarmate ze ouder en rijper worden er hier en daar toch aanstalten maken om ergens achter een plankje of hoekje weg te kruipen.De doffers die dan nog over blijven krijgen een paar ervaren oude duivinnen op het hok voor een uurtje. De jonge duivinnetjes een oudere rustige doffer. Meestal lukt het dan voor hen ook nog wel om ergens "iets" aan de haak te slaan.



Als je beperkt in ruimte bent speel je ze gewoon op de schuifdeur. Hokje met de doffertjes, hokje met de duivinnetjes en klaar is Kees…

De rui

Eens de derde pen er uit begint de hormoonwerking te verminderen zowel bij doffertjes als bij duivinnetjes. De geslachtsdrift neemt ietwat af en geleidelijk aan zullen de ruihormonen overnemen. Heel drastisch zal dat nu niet meteen de aantrekkingskracht tot het ander geslacht verminderen en er zijn eveneens wel meerdere factoren die hierin hun rol spelen. Daardoor kunnen de prestaties minder worden. Eens de vijfde pen er uit komt ook de dekrui in gang en zijn topprestaties uitgesloten.

Verduisteren - verlichten

Om de rui tegen te houden worden duiven verduisterd. Je bedriegt ze op die manier min of meer door hen te doen denken dat het nog steeds winter is. Korte dagen, weinig en niet heel intens licht zorgen daar voor. Simpel uitgelegd komt het er op neer dat zolang het er voor de duiven op lijkt dat de zomer niet voorbij is, ze er niet hoeven aan te denken hun verenkleed te vernieuwen. Hun metabolisme wordt op een lager pitje draaiende gehouden.

Dat metabolisme hou je laag tot een 4 à 5 tal weken voor de eerste belangrijke vlucht. Die tijd heb je nodig om het inwendige fabriekje op “volle toeren” te krijgen zeg maar. Om het vervolgens op “volle toeren” te houden is het algemeen “in” de duiven bij te gaan lichten. Je bedriegt de duiven op die manier weer door hen als het ware te doen denken dat het maar hoogzomer blijft. De hormoonwerking blijft dus op een hoog niveau terwijl de pennenrui toch gewoon doorgaat maar de dekrui word uitgesteld.

Hier meer dan ooit wil ik er op wijzen dat je beter bezint eer je begint! Allerhande soorten lampen zijn in gebruik waarvan de meeste een bijzonder grote impact hebben op de duiven. Ga je ganse dagen en weken aan een stuk onder een zonnebank liggen? Dat zou wel es heel kwalijke gevolgen kunnen hebben neen?

Voer

Het intense programma van wekelijkse wedstrijden, het wegbrengen en de trainingen aan huis, het bijlichten enz kosten de duiven pakken energie. Het is dan ook zaak ze van voldoende brandstof te voorzien. Koolhydraten voor de trainingen aan huis en de korte trainingstrips, vetten voor de wedvluchten. Wie veel kilometers met de wagen rijdt moet niet alleen de brandstof maar ook het oliepeil in de gaten houden. Voor onze duiven betekent dat eiwitten. Niet uit het oog te verliezen dus.

Medisch

Een intens vliegprogramma laat nog weinig ruimte om dingen aan te pakken die verkeerd lopen. Voor de aanvang van die intense periode is het zaak de duiven te laten controleren door een gespecialiseerd duivenarts en te handelen indien nodig. Nadien houden we de vinger aan de pols. Atleten in topvorm zijn heel broos en uw duiven zitten niet alleen in de mand maar samen en met deze van andere liefhebbers. We behoeven niet heiliger te willen zijn dan de paus en daar is het een beetje kiezen of delen.
Wanneer je en een broekband en bretellen draagt is de kans heel klein dat je broek afvalt maar dat betekent niet impliciet dat het de beste oplossing is. Medicatie van welke aard dan ook betekenen een aanslag op de weertand van de diertjes. Je merkt dat misschien niet meteen en daar schuilt nu net het gevaar maar dat is een andere discussie waar ik graag op terugkom.

Probleempjes duiken maar op als er belasting komt

Of de ketting is maar net zo sterk als de zwakste schakel. Dat schakeltje kan, of zou je kunnen “herstellen”. Of het daarmee sterker wordt is maar zeer de vraag. Je kunt het er ook tussenuit halen. Op dat moment wordt een ander schakeltje het zwakste. Of je belast de ketting niet te zwaar waardoor er geen schakeltjes “stukgaan” of je legt de lat voor jezelf ietsjes hoger tot je net die schakeltjes overhoudt waarmee je verder wilt. Selecteren of “repareren”….. Iets om over na te denken.

Nog een weekske of drie zijn we verwijderd van Bourges, de eerste nationale confrontatie voor de jongkies. Nog net de tijd om het treintje “tegoei” op de rails te krijgen. Hoe hard je het er op kan laten “denderen” ….. Zal diegene die de minste fouten maakt ook het meest vooraan komen te staan? Hoe dan ook, als je eenmaal kiest voor een bewezen systeem komt het er op aan, ook wanneer het wat minder gaat er vertrouwen in te hebben en het vol te houden.

Succes er mee!

Eddy Noël

Spelen met jonge duiven (1)
7-8-2008

Er zijn liefhebbers die hun jongen meegeven omdat ze nu eenmaal toch een klein beetje de weg moeten kennen en ervaring opdoen. Het zijn hoofdzakelijk de fondspelers en echt resultaat verwachten die mensen daar niet meteen van. De jongkies hebben mooi en rustig de kans uit te groeien. Hun sportieve carrière vangt pas later aan.

Er zijn de liefhebbers die hun jongen spelen, gewoon zonder meer. De prijsvliegers blijven behouden en krijgen kans als jaarduif te tonen wat ze in hun mars hebben.
Zoals in elke sport zijn er ook altijd mensen die zich specifiek op een welbepaald onderdeel van de sport toeleggen en zo heb je in duivenland dus ook de liefhebbers die zich heel specifiek toeleggen op het spelleke met de jongkies. Echte specialisten zijn het, die geheel niets aan het toeval overlaten en dat is maar al te vaak ook de enige manier om enige kans op slagen te hebben

Specialiseren met jonge duiven betekent beschikken over vroegrijpe krawaten. Is dat niet het geval, zullen ze meestal onvoldoende gemotiveerd de mand ingaan en het moeten afleggen tegen jongen die pas verliefd zijn, een eerste nestje hebben, hun eerste kroost aan het opvoeden zijn.

Een gans seizoen top “meedraaien”, het was nooit een makkie. Dat wordt het hoe langer hoe minder, om niet te zeggen bijna onmogelijk. Toewerken naar een welbepaalde piekperiode of misschien wel tweemaal trachten te pieken kan nog net. Het spreekt voor zich dat zoiets een beetje balanceren op een slappe koord is.

Keihard trainen, er alles voor doen en laten en dan hééééél misschien….

We hebben de olympische spelen in aantocht. Die zijn er om de vier jaar. Een bijzonder groot evenement en voor vele sporters de ultieme droom daar op zijn minst een medaille weg te kapen en als het even kan, dan nog liefst de gouden plak. Makkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk. Trainingsprogramma’s, competitie incluis worden opgesteld geheel in functie van dat enen moment, een moment waarin gewoon alles mee moet zitten. Is dat niet het geval heb je zomaar eventjes minstens vier jaren van intensief werken en trainen naar de filistijnen. Die kans is dan nog de grootste, er kan er immers maar eentje winnen.



De ultieme droom van elke sporter is een olympische gouden plak te kunnen winnen

Ook duiven zijn atleten

Hoe goed je alles ook op “een rijtje” hebt, het hangt af van dat ene welbepaalde moment op die ene welbepaalde dag af of je al dan niet wint. En winnen willen we ten slotte allemaal. Om te kunnen winnen hebben we in ieder geval een aantal voorwaarden waaraan voldaan zal moeten worden.

Eerste en allerbelangrijkste voorwaarde is absoluut dat je met goede kwaliteitsvolle dieren aan de start komt. Is dat niet zo kan er misschien wel ergens hier of daar een appeltje uit de kast vallen maar daarmee hebben we het dan ook gehad. Eendagsvliegen, het is misschien wel leuk op het ogenblik zelf maar op termijn kunnen we daar nu niet bepaald mee verder, maar bon, eigelijk feitelijk is dat een ander onderwerp.

Goede duiven dus, op een hoed hok en goed gezond. Klinkt cliché maar het is helaas niet anders. Is dat allemaal al in orde moet er ook nog conditie onder zitten. Zonder degelijke basisconditie kan je op ook maar enige vormpiek blijven wachten en zonder topvorm ook geen topprestaties.

Motivatie

Eens daar aanbeland echter zitten we al een heel flink end op weg en komt misschien wel het allerbelangrijkste om de hoek kijken, namelijk motivatie. Dat is een laatste onderdeel in de schakel waar we als liefhebber nog enigszins bij kunnen sturen of vat op hebben. Motivatie, misschien wel extra motivatie, is de laatste bepalende factor over winst of verlies. Territoriumdrang, een eerste verliefdheid, de eerste eitjes, hun eerste jong, jalousie enz zijn dingen die een duif er toe kan aanzetten, haar de gedrevenheid kan geven, net dat ietsje vlugger naar huis te vliegen en/of net dat ietsjes vlugger dan de concurrentie het hok binnen te lopen

 

Veel “hoekjes en kantjes”, De jonge koppeltjes verstoppen zich nogal graag. Gelukkig is onze buurman een wijnliefhebber. Die kistjes komen erg goed van pas!

Hoe motiveer je nu die duiven?

Duiven zijn net als mensen, allemaal verschillend dus, wat meteen betekent dat het extra motiveren voor elk dier weer anders is. Net dat stapje meer kan net dat beetje meer rendement geven. Het is echter ook zo dat naarmate je verder weg loopt van het midden van de brug, de kans ook groter wordt dat je er af komt te vallen en dan heb je helemaal niets meer natuurlijk

Ik blijf er hoe dan ook bij dat goede duiven vooral zichzelf motiveren. Het zijn dieren die hoog in de rangorde staan, hun territorium steeds trachten te verruimen, steeds alert zijn voor indringers, hun duivin van geen centimeter lossen, het nest met hand en tand verdedigen enz. Het zijn gewoon geen “slaapkoppen”.

Basisinstincten

Om het spelleke te spelen gebruiken we één van de basisinstincten van onze duiven, namelijk de seksuele drift, de zin tot voortplanting. Om de drang tot het andere geslacht op te voeren spelen we duiven op weduwschap, ook de jonge duiven. Het is de hormoonwerking die er voor zorgt dat de gedrevenheid om snel terug thuis te komen groter wordt. Er zijn een paar verschillende manieren om duiven te motiveren. Die hebben elk op de ene of de andere manier hun nut.

Als je een hokje jonge duivinnetjes kan koppelen aan oudere doffers, een hokje jonge doffertjes aan oude ervaren duivinnen kan je die duifjes mooi op “echt” weduwschap spelen.
Voordeel is dat wanneer ze ook thuiskomen, ze onmiddellijk hun partner voor zich hebben.

Laat je ze op nest komen geeft de zorg voor hun kroost de extra motivatie om snel huiswaarts te keren. Blijven ze overzitten of door omstandigheden een nachtje uitslapen is de kans reëel dat ze niet meer op de eitjes of de jongen gaan. Die jonge duiven nemen nu wel makkelijk iets aan maar goed, je hebt er dan toch de zorg bij voor onderlegkoppels te moeten zorgen of op zijn minst toch wat extra jongkies bij de hand te hebben

Op de schuifdeur spelen laat hier en daar wat extra mogelijkheden open

Er zijn duifjes bij die al vlug een oogje laten vallen op dieren van het andere geslacht. Die gaan al snel paartjes vormen en misschien zelfs al relatief snel aan een nestje beginnen. Er zijn ook diertjes die wat later geslachtsrijp zijn maar dat op zich is niet zo erg. Een prille verliefdheid ietwat later op het seizoen kan “wonderen” doen.

Het spreekt echter voor zich dat hoe meer "vaste" koppeltjes je hebt alvorens je de jongen gescheiden zet, des te beter de resultaten ook zullen zijn. De motivatie voor een "liefje" is bijkomend op deze voor het territorium. Eens de jongen het spelleke doorhebben is het een voordeel dat ze constanter in hun prestaties zijn tegenover nestduiven. Die zijn immers afhankelijker van de "ideale" neststand hoewel een allereerste nestje bij die jonge garde echt wel verrassende resultaten kan opleveren.

Een ander voordeel van gescheiden geslachten is dat ze veel beter trainen dan nestduiven dat doen. Voederen is ook al makkelijker tenzij de nestduiven op vrijwel identieke nestposities zouden zitten. Een voordeel van nestduiven is dan weer dat ze makkelijker "in de pluimen" blijven.

Wordt vervolgd.

Toekomst?
1-8-2008

Verliezen. De jonkies gingen al verloren bij bosjes. Meerdere liefhebbers zijn daarover nors en boos. Alles en iedereen krijgt de rekening gepresenteerd en toegegeven, er zijn ook externe factoren die hun rol spelen. Toch is het ook goed eens onze hand op ons hoofd leggen en te kijken wie er onder zit. Je kunt nooit alles op voorhand weten, doch constant vrij warme temperaturen en de oosten tot noordoostenwind nomen ze niet voor niets al jaar en dag het kerkhof voor de jonge duiven. Het is al moeilijk en lastig voor oude geroutineerde duiven, laat staan voor het jonge onervaren, nog niet eens ingevlogen grut.
Als je leerde fietsen ben je vast ook eerst wel een paar keer gevallen niet? En als ze je willen leren zwemmen, kieperen ze je ook niet meteen in volle zee. Kalmaan en rustig opbouwen, ook al mis je daardoor een paar vluchten, kan al veel ellende voorkomen.

Klaarrrrr... Start?

Nog alvorens goed en wel de start gegeven is zijn er dus al pakken jongen kansloos. Uren en dagen op "den dool" geweest of gewoon weggebleven zondermeer. Zijn ze dom, lomp of stom? Neen, niet meteen. Voor een gedeelte zijn de weersomstandigheden niet de beste voor jongkies, neem daar een paar onverantwoorde lossingen bij en je hebt “prijs”. Alleen jongen die perfect in orde zijn maken kans de klus te klaren. Het vreemde er aan is dat er nog weinigen nakomen als je het zo hoort. Een enkeling wordt aangemeld.

Rotzooi

Ik schreef al eerder dat we er zelf een rotzooi van aan het maken zijn. De verhoudingen inspanning-rust loopt voor vele dieren mank door het feit dat ze te vaak de mand in gaan en er geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met voldoende recuperatie. Zeker al niet na te zware vluchten of vluchten waarvan ze maar moeizaam terugkeren. Middeltjes voor dit en middeltjes voor dat kunnen wel enig soelaas brengen doch heel vaak zijn ze enkel en alleen een pleister op een houten been. De symptomen bestrijden en de oorzaken niet wegnemen leidt tot niets.

Medicatie

Niemand geeft wat of toch uiterst zeldzaam en alleen in allerhoogste nood terwijl er toch kilo’s en liters medicamenten aan de man gebracht worden. Systematisch worden die dingen over het voer of in het drinken gekieperd dat het een lieve lust is. Presteren weet je wel.
In het kleinste kamertje, daar waar iedereen te voet naartoe gaat zag ik al de spreuk “Denk niet bij het laatste vel, wie na mij komt redt het wel”, en daar heeft het dikwijls al veel van weg in de duivensport. Als ze maar vliegen, op welke manier dan ook. Mengelingskes van verschillende soorten medicamenten samen moeten soelaas brengen als de enkelvoudige stoffen het niet meer doen en zo gaat het steeds maar van kwaad naar erger. Die dingen ondermijnen heel erg de natuurlijke weerstand van de duiven en ik weet liefhebbers genoeg, en er zijn er zelfs bij die niet eens slecht spelen, maar die zonder medicatie hun duiven gewoonweg niet meer op de been kunnen houden. Dat is het begin van het einde natuurlijk.

Onnatuurlijk

Houden van duiven, zoals we met licht kweken in de winter, vervolgens de duiven verduisteren om nadien bij te lichten is eigelijk ook al een beetje naast het potje gepist. De te overladen vluchtprogramma’s die mensen dan toch koste wat koste willen spelen omwille van kampioenschappen of bekerkes laten dikwijls het bootje kapseizen. Je kunt dat nog es recht trekken maar heel dikwijls zinkt het toch gewoon hoor.
Winterkweek, voorbereiding seizoen, seizoen zelf tot september, snel door de rui moeten ze dan en maar weer terug aan de vroege kweek... Het kan al es van het goeie te veel zijn.

Montélimar

Van zware vluchten gesproken, Allé komaan nu. Ik weet niet echt of dat nog iets met sport, moderne duivensport te maken heeft. Duiven zijn levende wezens en die hebben zo hun grenzen. Dezelfde dag, van in de ochtend los nota bene, voor 700 km onder of boven amper 100 duiven die de thuishaven bereiken, dat valt bij mij niet meteen meer onder de noemer “normaal”. Je zult maar in Milaan-San-Remo of de Ronde van Vlaanderen, om maar iets te noemen, 200-250 renners aan de start hebben waar er ’s avonds ergens een stuk of tien van de aankomst bereiken en een deel misschien wel nooit meer. Kan niet kunnen!

Akkoord, we kweken geen serreplantjes maar er zijn grenzen. Altijd hoger, altijd sneller, altijd beter? Misschien wel, maar niet ten koste van alles lijkt het mij. Duivenmelkers kijken op die momenten alleen maar naar zichzelf, alleen hun eigen ikje, de centjes en hun eer zijn belangrijk. De duiven... niet meteen neen. Rot kapot spelen voor een bekerke of één of ander kampioenschap? Planning is planning en we zouden de beestjes zelfs door een vuur sturen om die ene ontbrekende prijs toch maar te pakken.

De aantallen duiven op de vluchten dalen spectaculair

Dat is zowel op Nationaal, provinciaal als lokaal niveau het geval. Het ene is het gevolg van het andere natuurlijk. Duiven die steeds maar moeilijker en moeilijker gezond te houden zijn, niet echt verantwoorde lossingen, de zware vluchten enz. Het eist allemaal zijn tol. De taart die alsmaar kleiner aan het worden is terwijl er meer en meer mensen een stukje van zouden willen hebben. Vooral en helemaal niet te onderschatten, het kostenplaatje van alles dat alleen maar hoger en hoger en voor velen te hoog begint te worden. Het speelt allemaal zijn rol.

Alles heeft zijn prijs

En daar het competitie gerichte eigelijk al sinds langere tijd zeer zeker niet meer de hoofdzaak van het gebeuren is voor mij begin ik me meer en meer vragen te stellen of het sop eigelijk nog wel de kool waard is. Als ik iets doe probeer ik het naar eigen best vermogen ook goed te doen en dan gaat daar al vlug heel veel tijd in kruipen. Die tijd op zich is helemaal geen belemmering, ik vertoef graag tussen die pluimenbollen . Het is lekker ontspannend en rustgevend.

Mijn ouders zijn gelukkiglijk nog beiden actieve en gezonde mensen, doch de tijd en meestal ook nog de energie om ze es een bezoekje te brengen ontbreekt me veel vaker dan me wenselijk is. Ik mis dat gewoon en er komt ooit een dag dat ze er niet meer zullen zijn. Zoals altijd echter komt spijt meestal veel te laat...

De jongste dochter van mijn zus, daar ben ik de peter van. Ze groeit op, alles gaat zijn gangetje,  ‘t kind is blij als ze hare peter es ziet en ze es met zijn paard mag komen hossen door de bossen gedurende een paar dagen in de vakanties. Die dingen gaan momenteel allemaal een beetje aan mij voorbij en da ’s eigelijke zonde.

Op familiefeestjes is er steevast maar eentje die ontbreekt of in het allerbeste geval toch maar effe zijne kop laat zien om dan alweer snel weg te moeten. Die duiven weet je wel.

Willen en niet kunnen of kunnen en niet willen

Er zijn atleten met bijzondere kwaliteiten, heel talentvol en de fysieke mogelijkheden om in een welbepaalde sport of discipline daarin hoge toppen te scheren maar wat baat dat allemaal als de wil niet voorhanden is er iets mee te gaan doen, het ontbreekt aan doorzettingsvermogen of het mentaal niet helemaal in orde zit? Daar kom je gewoonweg nergens mee. Het potentieel is dan misschien wel duidelijk zichtbaar aanwezig maar al evenveel al even belangrijke dingen kan je niet of maar heel moeilijk "taxeren".

Hoe is dat nu mogelijk, zo een duif, en ze vliegt begot gene meter prijs... Je herkent het vast wel.

De allrounders, duiven die het met alle weer en wind doen zijn eerder uitzondering dan regel. Toch zijn dat de dieren waarmee we misschien wel de meeste kans op succes hebben. Ne prijs winnen is eigelijk niet goed genoeg, hoewel... Kijk maar es als je de laatste prijs hebt hoeveel duiven er bijvoorbeeld nationaal, per viertal dus, nog achter die van jou komen.
Een goede duif is er eentje die kan winnen of toch minstens in de kop van het resultaat terug te vinden is. Eentje die dat kan onder verschillende omstandigheden, om dan nog maar te zwijgen over dat kunnen op verschillende afstanden, dat is nog een paar heel andere mouwen. De perfecte duif in die zin bestaat gewoon bij mijn weten niet

De wil om thuis te komen, de kracht om ook in moeilijkere omstandigheden door te gaan en nooit op te geven, de weerstand, de natuurlijke vitaliteit enz, het zijn zo van die basisdingen die je best op het kweekhok kan gebruiken.
Er zijn rasechte spurters, er zijn rasechte halve fondmannen en er zijn de marathonvliegers. Als je wil uitblinken op één dezer disciplines zal je je specifiek daarvoor duiven moeten kweken en ze daar ook op selecteren. Doe je dat niet kom je hoogstens ergens hier of daar in de subtop terecht. Tegen de werkelijke specialisten in hun eigen discipline en of dat nu snelheid, halve fond of zware fond is, je zult op één enkele uitzondering na gegarandeerd het onderspit delven.

Tienkampers om het eventjes bij atletiek te houden zijn bijzonder getalenteerde atleten. Ze kunnen zowat alles, doch als ze tegen de rasechte spurters, hoog of ver of polsstokspringers, speerwerpers of kogelstoters enz op moeten nemen komen ze meestal net een stapje te kort.

Uitzonderingen bevestigen de regel natuurlijk. Onze eigen Tia Hellebout springt wel met de besten mee over de lat!

Wie zoekt die zal vinden

Maar je moet vooral eerlijk zijn tegenover jezelf. Als het niet best gaat is dat niet meteen plezant 't is eigen aan het beestje (ikzelf)om dan meteen te gaan zoeken naar een mogelijke oorzaak ervan. De tijd echter dat ik daar wakker van lag is lang voorbij. Het is een spelleke en aan die spellekes is het nu eenmaal eigen dat je kunt winnen of verliezen. Het zijn en blijven vogels in de lucht. Win je, dan sta je daar niet bij stil. Verlies je, tja, dan is dat ook maar zo eigelijk. De wereld staat niet stil en 't leven gaat gewoon door. Volgende keer probeer je beter te doen. Waarom het mis ging is vaak zoeken naar een speld in een hooiberg, maar toch probeer ik die te vinden. De schuld op de ligging of de wind of andere dingen of.... weet ik veel steken is makkelijk maar al te vaak is daarmee helemaal niets opgelost. Erger nog, in negen van de tien gevallen is het beter in eigen boezem te kijken. de kans dat je daar de oorzaak kan vinden is de meest reële en voor de hand liggende.

Onzen "IJzeren"

Een wel heel speciale duif keerde helemaal niet meer terug. Spijtig voorval uiteraard. 't Beesteke moet vast verongelukt zijn. 't Was gene super maar hij miste zelden zijn prijs. Heel alert diertje, iets naar de grote en diepe kant en de naam verraadt het al, ijzersterk aanvoelend, met ogen die dwars door je heen kijken. Steeds bereid een robbertje te vechten, doch, ook steeds op zijn hoede. Speelvogel, eerste klas en een beetje "de pest", zeg maar grote baas op dat hok voor de medebewoners. Met één gebaar of blik van mijnentwege echter had ie wel meteen door wanneer het genoeg geweest was en raar maar waar, dat beestje respecteerde dat. 'k Praatte er ook vaak tegen, iets wat ik eigelijk wel met meerdere duiven doe. 't Klinkt heel gek, maar 't leek wel alsof hij het allemaal heel netjes en keurig begreep.

Misschien komt ie nog, misschien ook niet en ook al is een duif niet zo'n groot dier, toch is 't een enorme leegte op dat hok. Zijn huisje, zijn eigen nestbak, zijn territorium, wat hij met hand en tand verdedigde is voorlopig netjes afgesloten zodat niets of niemand het in kan palmen. Je weet maar nooit......



"Den Bijter" nog zo een rakker die mijn hart stal

Ik weet wel dat in sport eigelijk geen plaats is voor sentiment. Het is presteren of er uit, de plaats ruimen voor anderen en misschien beteren. Ik heb het eigelijk nooit makkelijk duiven te verwijderen maar het moet nu eenmaal. Toch zijn er altijd van die dieren waar je in de loop der tijd een zeg maar heel speciale band mee opbouwt. Het bezig zijn met die duiven geeft ook een heel aparte dimensie aan duivenliefhebber zijn. Het presteren komt bij mij al lang niet meer op de eerste plaats. Genieten van de dieren zelf, het er mee omgaan, ze observeren en vele andere dingen er omheen des te meer. Die geven me steeds meer en meer genoegdoening.

Er zitten nog zo 'n paar rakkers, net op dat hok. Net, nou ja, geheel toevallig is dat niet. Juist door hun "persoonlijkheid", hun zijn, hun doen en laten hebben ze al een paar streepjes voor op anderen. Als die duiven niet "sneuvelen" op de vluchten zijn het dieren die tot het einde hunner dagen hun plaatsje gereserveerd krijgen, ook al presteren ze niet meer, want ook daar komt op een dag een end aan en zelfs al "geven" ze geen kweek. Die dingen maken het voor mij nog allemaal de moeite waard.. 't Zijn geen "objecten" die ik kost wat kost "gebruik" ter eigen eer en glorie, waarna "opgebruikt en weggegooid"

Je hoef je niet persé te "bewijzen", voor niets of niemand en zeker al niet door middel van presteren met de duiven. Doen ze 't goed, des te beter en dan kan ik daar uiteraard intens van genieten en gelukkig over zijn. Is dat niet het geval "tant pis" maar zo gaat dat nu eenmaal. Daar valt mijn wereld al lang niet meer van in. Er hoeven ook helemaal niet een pak euro's achter het ringnummer op het uitslagenblad te staan. Als ik wil gokken speel ik wel op de lotto.
Mijn buurman fietst graag en "verdient" daar ook niets mee. Hij doet het gewoon omdat hij het graag doet en er van kan genieten zijn kilometerkes langs landweggetjes, genietend van de natuur af te malen. En meer moet da echt niet zijn... toch?

Het gaan inkorven, het pintje drinken met de duivenvrienden, het genot van de duiven van zo 'n verre reis thuis te zien komen, de blijdschap van het weerzien met hun wederhelft, fascinerende dingen allemaal en helemaal wars van alle stress en prestatiegericht handelen denken en doen, alsof er niets anders is of zou zijn op deze wereld.

Eddy Noël

Een ploeg
11-7-2008

Onze hoofdredacteur Ivan (van De Duivenkrant) is nog altijd en steeds doelman in 3e nationale. Als het enigszins mogelijk is gaan we wekelijks een kijkje nemen. Soms gaan we ruim op tijd en kan je ook de opwarming van die mannen volgen. Je ziet die spelers dan stuk voor stuk aan het werk en nog soms sta ik er echt van verbaasd van wat die mannen allemaal met zo ‘n balleke kunnen. Eén voor één zijn ’t acrobaten, in die mate dat ge u afvraagt hoe het in een wedstrijd überhaupt nog mogelijk is dat ze bijvoorbeeld, en soms zelfs van kortbij, de bal toch over of naast dat doel shotten. Elf man op dat veld, elk met een flink voetballend vermogen en toch resulteert dat maar al te vaak helemaal niet in winst.
Individueel zijn ze goed maar dat zal bij de tegenpartij vast en zeker ook het geval zijn. Op dat moment komt het er op aan als ploeg te acteren om het verschil te kunnen maken. Allen aan dezelfde koord trekken, alle neuzen in dezelfde richting. Je komt niet aan de aftrap met elf man maar als ploeg en dan maak je kans. Daar lopen geen gekwetsten mee tussen op dat veld, je stelt daar ook geen 4-5 scholieren cadetten of miniemekes mee op in de ploeg. Der kan daar al wel es enen van een superdagske hebben maar zelfs dat “draagt” op dat ogenblik de ploeg niet. Een vast team aan de start brengen zal hoe dan ook meer kans op slagen hebben. Zoveel als mogelijk remmende factoren dienen uitgeschakeld.

Een andere ploeg

Op een duivenhok is dat niet anders. Je komt best met een ervaren goedgetrainde ploeg aan de start wil je resultaat behalen. Daar mogen wel wat minder ervaren vogels, zomerse of late gasten tussenzitten maar die mogen zeker niet de bovenhand halen in aantal. Als je echt top wil presteren zal het daarmee niet lukken. Wij ervaren dat nu op eigen hok. Door de verhuis is het een beetje opnieuw beginnen eigelijk. De vroege jongen vlogen niet echt veel vorig jaar en dat laat zich gevoelen. Er waren er ook al niet zoveel en de jaarlingenploeg werd aangevuld met nog minder ervaren zomerse en late jongen. Neem dat, de niet zo makkelijke vluchtomstandigheden, hier en daar al es een “verkeerde” lossing en je hebt de ei zo na perfecte cocktail om het niet te laten slagen.

Kan je echter die gasten het vak wat “aanleren” met de wind in de staart scheelt dat al een slok op de borrel. Das allemaal net iets makkelijker om die als jong opgelopen achterstand te overbruggen. Bon, het is nu niet zo dus moet er geroeid worden met de riemen die voor handen zijn.

Eén plus één plus één….

Ik schreef al eerder dat het plaatje rond moet zijn. Een kleinigheid hier, een ander mankementje daar en nog wel een paar dingetjes her en der die wat mank lopen, wegen als alles es samen komt gewoon te zwaar door om met een ploeg aan de start te komen die een ploeg is en top te presteren.
Van die onervaren gasten bijvoorbeeld slapen er al es een paar een nachtje uit, remmen nadien het trainen van de anderen of brengen misschien wel trichokes, coccidiose of wormkes mee naar huis en zo is ’t constant en steeds maar weer iets.

De partners van de vliegduiven zijn overgewende oude vliegduiven van ons hok aan de Schippersdijk. Ik laat ze wel niet uit en die mannen en madammen hebben elk wel hun eigen plaatsje op het nieuwe hok maar toch voel je aan die beesten een verschil in zijn en doen en laten tegenover hoe ze waren in hun eigen oude vertrouwde omgeving.

Hoe je het dan ook draait of keert, de optelsom van al die kleine dingetjes maken het verschil. Je vangt al wel es een vogel vroeg en wel twee of drie ook maar er zit gewoon geen homogeniteit in die vliegploeg en dan blijven super prestaties ook achterwege. Je speelt dan nog gewoon mee zondermeer en waar je gewoonlijk nog loon naar werken krijgt is dat in zo ’n geval gewoon nog omgekeerd bovendien.

De aanhouder wint??

De grootste boosdoener blijft evenwel de lijmgeur van de in het nieuwe hok verwerkte multiplexplaten. Een flink deel lezers reageerden daarop met verschillende adviezen waarvoor dank!! De platen bespuiten met ammoniak, met azijn, ze sterk verwarmen met de vlam, een heteluchtkanon op het hok voor een paar dagen tot de meest drastische ingreep ze gewoon te verwijderen. We probeerden één en ander en een deel van de platen werden zelfs verwijderd. Het betert echt wel maar weg krijg je die dingen niet zomaar. Het wordt dus uitzweten en geduld oefenen.

Medicatie geven om de irritatie van de luchtwegen enigszins op te vangen kan ook niet echt baten als de oorzaak van het probleem niet weggenomen wordt.

Bergop

In elk geval is het zo dat met de huidige vluchtomstandigheden zoals daar zijn de warmte en de oost-noord-oostenwind het niet volstaat dat de duiven gewoon gezond zijn en een goede conditie hebben. Er moet heus wel vorm op zitten of je komt er een flink end achter. Die vorm komt er echter niet zomaar op bestelling en al zeker niet als je constant moet zitten “schipperen” om één en ander goed te krijgen of te houden maar, bon, we blijven geduld oefenen en proberen te doen wat we denken te moeten doen.
Je houdt de dieren al zo lang en ik wil ze hoe dan ook een zo eerlijk mogelijke kans geven. Zo slecht kunnen ze nu ook weer niet zijn als de broertjes en zusjes op ons hok aan de Schippersdijk bij Domien eerste prijzen aan de lopende band vliegen. Zo zie je nog maar eens dat werkelijk alles “in orde” moet zijn om met enige kans op succes deel te nemen aan wedstrijden.
Je moet bij voorbeeld nog niet eens tien jaar terug gaan om op pakweg ne Chateauroux van om en bij  de 500 kilometer, bij warm weer en oostenwind de ochtend nadien nog ergens een prijske te kunnen pakken. Als nu de eerste duiven vallen en je wil er een uurtje nadien nog eentje aanmelden is de kans bijzonder groot dat ze aan de andere kant van de foon zeggen dat ze hun aantal prijzen hebben. Nog aan half uurtje nadien hangt den uitslag bij manier van spreken al aan de muur….

De lossingen

De lossers hebben het sure niet altijd makkelijk, maar ze zijn toch alweer flink aan het knoeien bij momenten. Niet alles is te voorzien en de beste stuurlui staan dikwijls aan wal maar met de hedendaagse middelen en technieken moet het perfect mogelijk zijn de vluchtlijn veel beter in te schatten dan dat nu gedaan wordt. Wat nu gebeurt, is en blijft een beetje natte vingerwerk. De gehanteerde prijzen voor het vervoer zijn evenwel zeer professioneel, terwijl bij momenten de ervoor geleverde diensten puur amateurisme van de bovenste plank zijn en blijven. Wanneer er op woensdag of donderdag in te korven valt maakt dat het er niet makkelijker op de weersverwachtingen voor het weekend te voorspellen of in te schatten Op zich niet erg als je als liefhebber de geruststelling zou hebben te kunnen vertrouwen op de lossingverantwoordelijken. Die zijn ten slotte onderweg met een gans contingent duiven waar de liefhebbers stuk voor stuk hun allerbest zorgen hebben aan besteed. Centen zijn de alles bepalende factor geworden en dan loopt het al es meer mis. Pakken duiven bleven weg afgelopen weekend. Krijg je die dan al wel thuis is het maar zeer de vraag of je die nog wel in orde krijgt en wanneer. 

Eén simpel fluitsignaal van een paar seconden op de lossingplaats kan er, wanneer niet weloverwogen en met kennis van zaken genomen, voor zorgen dat een paar duizend dieren de verdoemenis ingestuurd worden. Weg werk van soms jaren bij tal van liefhebbers. Het “toeval” wil nu eenmaal dat bij dat soort vluchten de betere duiven bij de eerste slachtoffers zijn en kweek er mij zo maar es een paar “nieuwe”….

Nooit te oud om te leren

Via de vele foons en mails die hier “terechtkomen” kom je dikwijls nog het één en ander te weten. Je bent het niet wijs en je houdt het nog minder voor mogelijk wat de mensen allemaal, en dan nog vaak op eigen houtje, aan die duiven geven van medicatie in de hoop “het” nu eindelijk gevonden te hebben en de concurrentie te overklassen. Lukt het niet wordt uiteindelijk toch de veearts aangesproken en kan die ook het tij niet doen keren proberen we maar es een andere. Spijtig héél spijtig misschien, maar zo werkt dat niet. Het zou wat te  simpel zijn, en dan nog. Gaan we bijvoorbeeld naar betreffende veearts met betreffende potje en we geven dat aan onze pluimenbollen zal ondanks identieke omstandigheden en verzorging nog altijd één duif als eerste bij het hok aankomen en één van de bende als laatste. Alleen met diegene die regelmatig bij de eersten aankomen, kunnen we op termijn verder. Zelfs wanneer tien verschillende liefhebbers elk tien duiven die allen van het bewuste potje kregen zouden meegeven zullen van die 100 duiven en bij een prijsverdeling één op drie, 66 van die beestekes niet op papier staan. Spelen we met de overgebleven 33 de week nadien terug, blijven er maar 11 meer over en dat ondanks datzelfde potje….
Moraal van het verhaal… goeie duiven zijn en blijven de hoofdvereiste.. Beter dus energie in steken om daar aan te komen dan het te gaan zoeken waar het niet zit!

Zuur en zuren

Modetrend? Voor de ene schijnt het te werken, voor de andere dan weer niet. Het is evenwel geweten dat bacteriekes slechter gedijen in een zuurder milieu dus kan het wel helpen. Je hebt natuurlijk zuur en zuur. Azijn is ook zuur maar dat zou niet te drinken zijn voor de beestjes. Diverse proeven hebben uitgewezen dat de meest ideale zuurtegraad voor het drinkwater van onze duiven een PH. waarde van 5.5 heeft. Wanneer we het advies krijgen 5 ml van bijvoorbeeld appelazijn te gebruiken per liter water kan dat afhankelijk van het soort water wat we gebruiken totaal verschillende PH waardes als eindresultaat opleveren. Stel we vertrekken aan de basis met water dat een ph waarde van 7 heeft. Dan zal dat een geheel verschillend resultaat opleveren dan wanneer we zouden vertrekken met water met een PH waarde van bijvoorbeeld 5 en we bij beiden die 5 ml appelazijn zouden gebruiken. Je kan die dingen meten, en dat kan je héél eenvoudig met PH strips die je kan verkrijgen in tuincentra of aquariumwinkels.

Je meet de PH waarde van het water wat je aan je duiven vertrekt. Daar voeg je van het zuur wat je gebruikt aan toe, net zoveel tot wanneer de kleurtjes op de strip overeen komen met dat kleurtje wat een PH waarde van 5.5 aangeeft. Misschien moet je wel een paar keer meten alvorens je exact weet hoeveel van het zuur je moet gebruiken om een PH waarde van 5.5 te bereiken, maar voor zover je steeds hetzelfde water gebruikt hoef je die “meting” maar één keer te doen. De meeste watermaatschappijen proberen de waterkwaliteit die uit de kraan stroom zo constant mogelijk in kwaliteit en waardes te houden. In het geval je het toch doet, kan je de dingen met een kleine moeite misschien maar beter goed doen. Alle kleine beetjes kunnen helpen, net zoals ik onlangs ( een Nederlander) aan de pomp hoorde vragen, Mijnheer, hoeveel kost één druppeltje benzine?. Eén druppeltje?? Ach…. Helemaal niets…
Ok zei de man, druppel je em effe vol voor me?

Succes er mee!

Orientatie
9-6-2008

Het is een onderwerp waar al heel wat inkt is over gevloeid. De zon, de geur, aardmagnetisme en noem maar op.  Hoe een duif echter geheel precies haar weg terug kan vinden, daar zijn wetenschappers het nog altijd niet over eens. Feit is dat duiven soms makkelijk thuis kunnen komen en daar andere keren geheel niet in slagen of er toch de allergrootste moeite mee hebben. 

De juiste weg.

Net zoals bij mensen is het ook bij duiven zo dat de ene zich beter oriënteren kan dan de andere. Wij mensen hebben daar een feilloos kompas of gps systeem voor bij de hand om te komen waar we willen zijn. U merkt misschien ook op dat hoe meer gebruik je daar van maakt, des te minder je eigen gevoel voor oriëntatie nog wel wil werken. Hoofdrekenen idem dito, onze hersenen worden wat dat betreft niet meer geoefend. Rekenmachientjes doen die dingen perfect voor ons, makkelijk zat dus.

       


Voor ons makkelijk, onze duifjes zijn echter op zichzelf aangewezen

Training

Zo ook bij onze duiven. Allemaal hebben ze een aangeboren oriëntatie systeem. Bij de ene werkt dat misschien al beter dan de andere. Hoe beter de duif in conditie, des te beter, vlugger en makkelijker ze zich ook kan en zal oriënteren. Dat hangt zo een beetje samen. Bovendien kunnen we dat systeem ook nog oefenen. Het is niet altijd de duif die het snelst vliegt die eerst thuis aankomt, maar wel deze die de kortste weg naar huis kan vinden en daar komt een goed en goed getraind oriëntatievermogen best van pas.

De tijd die de duiven nodig hebben om zich te kunnen oriënteren is dus mede een waardemeter voor wat de algemene conditie en paraatheid betreft.  Je kan dat goed merken wanneer je opleerkorven gebruikt die bovenaan open zijn. Wanneer je de korven uit de wagen haalt zijn de duiven eerst nog wat rumoerig. Op een bepaald ogenblik zitten ze allen muisstil met het kopje ietwat schuin omhoog gericht. Dat kan gedurende korte of langere tijd duren. Op een gegeven ogenblik beginnen ze terug rumoerig heen en weer te lopen wat meteen betekent dat ze hun positie bepaald hebben of dus met andere woorden, georiënteerd zijn en je ze los kan laten.

 
Open opleermanden laten zien wanneer de duiven georiënteerd zijn

Naarmate je ze daar meer op oefent wordt de tijd die ze daar voor nodig hebben steeds korter en korter. U zal ook merken dat wanneer u altijd op dezelfde plaats gaat lossen, die tijd waarop ze zich georiënteerd hebben snel korter wordt omdat duiven zich nu eenmaal ook kunnen oriënteren op herkenningspunten.
Rijdt u bijvoorbeeld 40 km van huis weg in vogelvlucht, moet u dat niet zo vaak herhalen alvorens de duiven het traject bij manier van spreken met de ogen toe afhaspelen. Ze hebben zich al vlug georiënteerd op de plaats waar je ze lost en vliegen vervolgens op herkenningspunten huiswaarts. Veel training van het oriëntatievermogen komt er dan niet meer bij kijken.

Oefening baart kunst

Er zijn duiven die het voortouw nemen en er zijn de volgers. Duiven zijn en blijven immers kladvliegers en kuddebeesten. De “volgers” kunnen we verplichten zelf hun weg te zoeken door onze duifjes één voor één te gaan lossen. Het kan dan best een tijdje duren alvorens ze thuis komen. Ze proberen zich bij bijvoorbeeld rondvliegende kladden jongen of oude duiven aan te sluiten maar zullen op het end hoe dan ook uiteindelijk altijd op zichzelf aangewezen zijn om het thuisfront te bereiken.

Nog meer oefening baart nog meer kunst

Om het vliegen op herkenningspunten nog meer uit te sluiten en zodoende hun aangeboren vermogen tot oriëntatie nog beter te trainen kunnen we ze telkens op een andere plaats gaan lossen. Dat hoeft helemaal niet in “de lijn” te zijn, integendeel, het mag gerust de klok rond. Ze zijn dan gewoon verplicht op oriëntatie en niet op herkenningspunten  te vliegen.

Rechttoe rechtaan

Onderzoek heeft aangetoond dat duiven niet echt in rechte lijn huiswaarts vliegen. Ze doen dat in min of meer zig-zag lijn. Dat komt omdat ze telkens weer bij moeten sturen in hun oriëntatie. Hoe beter geoefend die oriëntatie is, des te sneller ze die ook  bijsturen met als gevolg dat ze in een rechtere lijn en dus een korter traject huiswaarts vliegen. Als ze daarbij het laatste stuk op herkenningspunten rechttoe rechtaan naar het hok toe kunnen vliegen komt dat de snelheid alleen maar ten goede. Dat wordt dan een lange rechte sprint richting thuishaven. Motovatie is daarin ook niet onbelangrijk.

Opleren

Om duiven toe te laten degelijk hun training af te werken houden we best rekening met een paar zaken. Voor jonge duiven en hun eerste opleervluchtjes is het steeds en steeds weer nefast gebleken dat te doen bij oostenwind. Jaarse duiven hebben het daar al iets makkelijker mee terwijl dat bij oude ervaren duiven nog net iets makkelijker gaat. Goed ingevlogen of niet is eveneens een bepalende factor.

Een voordeel aan die oostenwind is dat je de windrichting makkelijk kan bepalen en al vlug kan beslissen al dan niet met de dieren op pad te trekken of op zijn minst toch de afstand aan te passen.
 
UV straling en inversie bijvoorbeeld zijn daarentegen zo van die boosdoeners die een enorme impact kunnen hebben op het goed of desastreus verlopen van vluchten of opleervluchten. Je ziet ze niet of moeilijk, maar ze zijn er soms wel, of juist niet, met alle gevolgen vandien.


Gelost in goede omstandigheden geeft het de diertjes meer vertrouwen

UV straling.

UV straling komt van de zon. Hoe hoger de zon aan de hemel staat en hoe minder bewolking, des te sterker is de UV straling. Hoe meer en dikker het wolkenpak, hoe minder van die UV stralingen de aarde bereiken. Zowel bij een te lage UV straling als bij een te hoge hebben duiven het zeer moeilijk zich te oriënteren. De per dag voorspelde waardes, evenals als de reële waargenomen UV stralingen kan je vinden via deze link:

http://www.meteo.be/meteo/view/nl/522044-Uv.html

Bij een UV index van 2 of minder hebben duiven het zeer lastig zich goed te oriënteren. Dat is eveneens het geval wanneer de UV index hoger is dan 8. De meest comfortabele waardes liggen tussen 4 en 7 en daar kunnen we rekening mee houden als we duiven willen gaan oplaten of mee op wedstrijd sturen.

Inversie

De meest voorkomende en dus belangrijkste waar wij duivenliefhebbers best rekening mee houden is de vochtige inversie. 


Hier zien we duidelijk de inversielaag hangen

Onder normale omstandigheden wordt naarmate we hoger in de atmosfeer komen, de lucht alleen maar kouder. Bij inversie echter is het zo dat de temperatuur stijgt naarmate je hoger gaat. Die bovenste warmere luchtlaag houdt de onderste koudere lucht dan als het ware gevangen.
Dat vormt een probleem wanneer het bijvoorbeeld ‘s nachts regent of er mist ontstaat door afkoeling van de lucht. Wanneer ‘s morgens de zon opkomt en er voor zorgt dat de aarde opwarmt doet die in feite die mist en/of regen verdampen.
Door de inversie werkt die bovenste warme luchtlaag als een soort “stop”, waardoor eigelijk al dat vocht en vuil niet weg kan. Er vormt zich dan een egaal grijze laag van bewolking en het is die vochtlaag die voor de problemen zorgt.
De er in aanwezige watermoleculen breken namelijk de lichtstralen van de zon waardoor de duiven de stand van de zon verkeerd inschatten en zich daardoor verkeerd gaan oriënteren. Ook hier zijn het weer vooral jonge duiven die het daar meer nog dan oudere bijzonder moeilijk mee hebben. 


De zonnestralen worden “gebroken” door het water waardoor de duiven een verkeerd optisch beeld van de stand van de zon verkrijgen en zich zodoende verkeerd oriënteren.

Voorzichtigheid is de moeder van..

Vroeg in het voorjaar kunnen vooral te lage UV waardes ons parten spelen in wedstrijden of voor het opleren de van duiven. Voor jonge duiven zijn oostenwind en inversie dan weer de grootste boosdoeners die zorgen voor massale verliezen. Enige voorzichtigheid is dus geboden. Vroeg kweken en de alle zorg aan die jonkies om ze dan op een manier te laten verloren gaan die had kunnen voorkomen worden. Dat kan niet echt de bedoeling zijn

Vitaliteit en gezondheid
25-4-2008

Het leven zoals het er de dag van vandaag uitziet is helemaal anders dan pakweg 20 of zeg zelfs nog maar 10 jaar terug. 30-40 jaar geleden lag de lat in onze sport zo goed als voor iedereen gelijk. Er werd gewerkt van maandag tot vrijdag en in vele gevallen ook nog op zaterdag. De beschikbare tijd voor de verzorging was beperkt. De duiven kregen wat voer op tijd en stond, op zaterdag gingen er een paar de mand in voor het wekelijkse vertier en plezier op zondagmorgen en dan was ’t al rap weer maandag. In iedere straat had je wel een paar, ja zelfs meerdere duivenmelkers, want veel anders dan voetbal en koers was er niet.

Nonkel Gentil

Ik weet nog dat ik bij nonkel Gentil als kleine snaak ging “letten”. Met ganse pakken en met ganse kladden duiven trokken er toen nog over. Dat op zich was al een belevenis! Veel letters ook steeds want nonkel Gentil zaliger was ne “goeie melker”. Bij de eersten die doorgingen waren er steevast al een paar voor hem bij, en daar misschien toch al een klein verschilleke. Nonkel Gentil was boer en dus de ganse dag aan huis. Eigen gekweekte maïs, tarwe en gerst van beste kwaliteit kregen de duivekes, ze dronken al es aan de plassen van de mesthoop en vooruit met de geit. De selectie was bikkelhard maar eerlijk. Geen geknoei, gerommel of gefoefel aan die pluimenbollen.
In die tijd ging niets verloren en wat niet kwam of het niet kon werd simpelweg netjes doodgemaakt, gepluimd, en opgegeten. Naar de veearts?? Met een duif?? Ben je helemaal gek geworden dan??  Enkel en alleen duiven met een natuurlijke vitaliteit en gezondheid bleven over. Er was geen andere keuze, niet één alternatief.

De “vooruitgang”

Toen waren er een paar liefhebbers die niet alleen weet hadden van trichomonas maar eveneens wisten wat ze er aan konden doen. Die maakten het “schoon weer” op het uitslagenblad. Waren die duiven dan ineens beter? Kwalitatief misschien niet echt maar ze waren wel beter in orde en konden zo het verschil maken.
Na x–aantal jaren werd dat gemeen goed en lag de lat +/- alweer voor iedereen gelijk, maar bon, hoe de lat ook ligt, steeds zijn er 5 percent duivenmelkers en 95 percent duivenliefhebbers. Hier en daar verhuist er al eens een enkeling van het ene naar het ander kamp maar om een lang verhaal kort te maken, momenteel is het zo dat iedereen de gelegenheid heeft een gespecialiseerd veearts te consulteren. Het is ook zo dat iedereen wel de mogelijkheid heeft betere duifjes aan te schaffen. So far so good evenwel.

Betere duiven, tot daar aan toe maar ik zie wat ik zie, hoor wat ik hoor en lees wat ik lees. Je wil ze morgen vast de kost niet geven de pluimenbollen die als vliegende apotheekkasten rondvliegen. Duiven vliegen dan niet op hun reële waarde of werkelijke kwaliteiten maar op een kunstmatige vorm zoals ik het noem. Ze worden klinisch gezond gehouden en waar een med goed is voor misschien wel een paar dingen is het tegelijkertijd slecht voor een hele boel en nog veel meer andere. Bijwerkingen of neveneffecten noemen ze dat.


Medicijnen, voor veel meer dingen slecht dan goed

Of toch niet?

Eén van die nevenwerkingen is dat het weerstandsvermogen fel ondermijnd wordt. We spreken dan nog niet eens over resistentie. Een groot gedeelte van die duiven zou zonder meds niet eens op papier raken. Nu wel omdat ze een “handje” geholpen worden. Komt daar nog bovenop dat we meer en meer verlangen van onze beestekes. Die meer vluchten per jaar, die meer kilometers vliegen, het vreet hoe dan ook aan de weerstand en dat zet meteen de deur wagenwijd open voor infecties. Weer van de pot of de fles dan maar??

Als duiven niet “goed” zijn kan het ook zo zijn dat ze geen pijp tabak waard zijn natuurlijk, doch heel vaak scheelt er wat een de natuurlijke weerstand en de daaraan vast hangende gezondheid. Dat soort duiven zijn en blijven niet alleen een potentieel gevaar voor de eigen kolonie maar al evenzeer voor de medereisgezellen in de mand. Ze zorgen voor een bijna constante infectiedruk en zeggen ze niet: wie bij de hond slaapt... en zo wordt het al snel een vicieus cirkeltje

Verkopen dan maar die handel

Komt daar nog bij dat ze er maar bitter weinig duiven nog geslacht worden. Internet en talloze verkoopssites spelen daar bijzonder handig op in of misschien is het wel omgekeerd al maakt dat op zich niet zo veel uit.
Duiven die ondanks alles op het end van het seizoen gewogen en toch te licht bevonden werden, worden nog niet eens opgeruimd. In de plaats van naar de slacht te gaan komen die duiven dan op het internet te staan. Je “plakt” een paar mooie namen op bijhorend papier en ook al gaan die “maar” 25 euro per stuk, als je der zo tien van de hand kan doen is dat nog steeds 250 euro. Daar koop je alras een paar zakjes voer mee. Dat is dus hoe dan ook beter dan de klikko.

Wie het weet mag het zeggen

Dat alles heeft een immense impact op het algemene duivenbestand. Wat je soms allemaal leest grenst aan het ongelooflijke. Een voerschema en planning voor het komende seizoen las ik onlangs nog, waarbij je al minstens de helft van de tijd medicamentjes moet geven tegen dit en dat en nog wa vanalles.
Als ge het zo allemaal leest en bekijkt lijkt het wel of die pluimenbollen allen complete en regelrechte rampen zijn op gebied van gezondheid. Wie wil er nu diertjes houden die constant moeten volgepropt worden met allerlei zooi, alleen al maar om op de been (poot) te blijven? Komaan zeg, waar zijn we begot mee bezig?

Jong geleerd is oud gedaan?

Hoor je niet dat de jongkies zelfs al zo kort na het spenen massaal behandeld worden met een pilleke of poederke tegen trichokes zonder eigelijk eerst ook nog maar enigszins na te kijken of te laten nakijken of die diertjes daar wel degelijk last van hebben?  Het lijkt wel “gemeengoed” te zijn geworden, de dood normaalste zaak van de wereld.
Ze mogen er eigelijk ook gerust wa hebben zolang ze maar wa moeten vreten en slapen en rondlummelen op het dak.
Gezonde ouderdieren geven gezonde jongen en een paar trichokes betekenen nog niet dat de diertjes er ook ziek van zijn of worden. Als dat trouwens maar een enkel geval zou zijn geef je gewoon niets maar ruim je die op toch?

We zijn er met zen allen een fameuze rotzooi van aan het maken, en dat vaak alleen maar om tijdens de winter zoals een aap met zeven staarten 2 minuutjes op het podium te mogen staan.
Je kan die meds gebruiken zoals het hoort en je kan ze misbruiken. Er wordt gekuurd dat het een lieve lust is maar wie daar uiteindelijk en ik benadruk uiteindelijk, beter van wordt is maar zeer de vraag

Vele ziekteverwekkende organismen zijn onderhand immuun of resistent geworden tegen de meeste gangbare antibiotica ’s.
Er komt ook steeds maar meer info over superbugs die niet eens meer vernietigd kunnen worden wegens de opgebouwde weerstand tegen de bestaande antibiotica ’s.

Wondermiddelen bestaan niet, doch zijn er wel degelijk enkele alternatieven. Daarvan willen we er graag een paar wat meer onder de aandacht brengen. Eerste verreist blijven evenwel altijd goede duiven

Colloïdaal zilverwater, een natuurlijk alternatief antibioticum

Colloïdaal zilver is een vloeibare oplossing die bestaat uit minuscuul kleine zwevende zilverdeeltjes in water. Elk van die zilverdeeltjes is elektrisch geladen waardoor ze stabiel en actief blijven in dat water.

Uitgebreid onderzoek dat werd gedaan naar de genezende eigenschappen van zilver toonde aan dat het een veilig en efficiënt antibioticum is dat bijzonder werkzaam is tegen een grote verscheidenheid aan bacteriën, zonder ook maar enige bijwerking of beschadiging van de lichaamscellen. Waar een gewoon antibioticum een half dozijn verschillende ziekteverwekkers doodt, blijkt dat zilver er zo'n 650 vernietigt. Het lijkt de meest bruikbare en krachtige breed spectrum substantie te zijn om verschillende ziektes te lijf te gaan die veroorzaakt worden door bacteriën, virussen, parasieten en schimmels. Het werkt evenzeer preventief bij verkoudheden, griep en diverse infecties. In het bijzonder blijken Staphylococcus en Streptococcus stammen, die dikwijls worden gevonden bij ziektes, gevoelig te zijn voor zilver. Tevens blijkt colloïdaal zilver op een snelle manier ontstekingen te bedwingen en een snellere genezing te bewerkstelligen.
 
Wanneer colloïdaal zilver dagelijks wordt ingenomen zorgt het voor een beter immuunsysteem, hetgeen resulteert in meer energie, vitaliteit, kracht, ontspanning, snellere genezing en een vermindering van toxines in het lichaam. Het kan ook direct als ontsmetting toegepast worden bij snij- en schaafwonden en op open wonden zowel inwendig als uitwendig.

De werking

Gewervelde dieren hebben als meercellige organismen longen als orgaan om zuurstof op te nemen. Eéncelligen (virussen, bacteriën, gisten, schimmels en amoeben) daarentegen hebben die uiteraard niet! De minuscuul kleine zilverdeeltjes dringen door tot in de cellen waardoor deze ééncelligen als het waren “buiten adem” raken. Zonder zuurstof laten hun chemische longen het afweten en verliezen ze hun levensenergie.
Je kan het bekijken als een preventief hulpmiddel om bacteriën, virussen, schimmels én gisten zonder kans op resistentie onderuit te halen.

Het gebruik

5 ml zilverwater van 40 ppm per liter water op de dag van thuiskomst bleek in de praktijk de meest efficiënte oplossing te zijn voor duiven. Het is geur en smaakloos waardoor het voor de dieren helemaal geen probleem vormt het op te drinken. Bij ziekte 5-10 dagen à rato van eveneens 5 ml per liter drinkwater. Zoals altijd is het eveneens belangrijk te trachten de oorzaak van het ziek worden op te sporen en deze te elimineren.


Benodigdheden

De bereiding

Breng een hoeveelheid gedemineraliseerd water aan de kook in een roestvrijstalen of geëmailleerde pan. Giet het hete water in het glas en plaats de elektroden in het water. Zet het glas op een warmhoudplaatje of theelichtje om afkoeling van het water te voorkomen. Van tijd tot tijd even wat roeren in het water. Na verloop van tijd zal de vloeistof geel gaan kleuren. Naarmate je langer doorgaat zal de vloeistof donkerder kleuren.
Bij het aanmaken van een nieuwe hoeveelheid is het goed om een scheut van een vorige aanmaak geel CZ te doen in de nieuwe aanmaak. Dit verkort de aanmaaktijd. Het is ook goed om de aansluitingen op de batterij bij elke nieuwe aanmaak onderling te verwisselen. Hiermee wordt voorkomen dat de ene elektrode sneller 'slijt' dan de ander.
 
Wanneer het zilverwater klaar is gieten we het door een papieren (koffie)filterzakje om vaste deeltjes te verwijderen.
De aanslag op de zilverelektroden poetsen we weg met zacht schuursponsje. Daarna goed afspoelen en drogen met keukenpapier. Nooit een chemisch middel gebruiken!

Zilverwater dat met gedistilleerd water wordt gemaakt krijgt vanaf een concentratie van 6 -10 ppm een licht gele kleur die bij oplopende concentratie steeds donkerder wordt tot een bruinachtig kleur. Bij een hoge concentratie geel zilverwater zien we het zilver zelfs neerslaan op het glas en er treedt er vlokvorming op. Bij een concentratie van 40 ppm en hoger is de kleur ambergeel. Wanneer er sporen keukenzout (NaCl)of chloor (Cl) in het water zitten zal het zilver zich eerst met de chloor-ionen gaan verbinden en ontstaat zilverchloride. Het water verkleurt dan niet of pas in een veel later stadium wanneer alle chloor is gebonden. 

CZ met een lage concentratie aan zilverionen ziet er kleurloos uit. Naarmate de concentratie toeneemt zal CZ meer grijs of geel kleuren. De donkerte van de tint zegt dus iets over de concentratie CZ in het water.


Bij de start

Bewaren

Wanneer het zilverwater klaar is gieten we het in een donker gekleurde glazen fles en bewaren het op een donkere plaats op kamertemperatuur. Dat voorkomt dat de zilverdeeltjes neerslaan. Door de inwerking van zonlicht verliest de zilveroplossing immers zijn kwaliteit doordat het de lading van de zilver-ionen neutraliseert die de deeltjes zwevend houdt.
Plaats het ook niet in de buurt van elektrische apparaten. De velden afkomstig daarvan kunnen mogelijks ook het neerslaan van zilverdeeltjes op gang brengen.

 
Zilverwater klaar

Advies

U kan zich het zilverwater ook gewoon klaargemaakt aanschaffen.
Let er dan op dat u zich CZ aanschaft met een ietwat gelige tint. U bent er dan zeker van dan dat het zeer fijn verdeeld zilver bevat met een behoorlijke concentratie aan zilverdeeltjes.

In een volgende bijdrage nog een paar alternatieven. Succes ermee!

Eddy Noël

Trainer van uw jonge duiven (2/2)
24-2-2008

Het hart is een spier en spieren hebben de eigenschap dat ze getraind kunnen worden. Hoe beter getraind een spier is hoe meer rendement je er van kan verwachten. Duurtraining bij geleidelijke opbouw zorgt er voor dat het hart minder gaat pompen bij een idem belasting en bovendien per keer dat het pomp een groter bloedvolume rond zal gaan sturen. Dat groter volume zorgt dan op zijn beurt weer voor meer zuurstof en energietoevoer naar de organen en spieren toe. Dat zorgt eveneens voor een verbeterde afvoer van afvalstoffen en dan hebben we wat dat betreft het cirkeltje rond. Hoe beter de basisconditie, dus hoe meer rendement voor minder inspanning we van dat motertje verkrijgen. Dan pas kunnen we verder.

Geduld

Spieren, dus inclusief het hart hebben de eigenschap in rust of bij minder intensief gebruik terug aan rendement in te boeten. Concreet komt het er dus op neer dat je onder normale omstandigheden met duiven die niet of nauwelijks trainen nooit hoge toppen zal scheren en al zeker niet als er niet een voldoende basisconditie onder zit. Jonge duiven die al in februari - maart uren in de lucht hangen bouwen dan wel aan die basisconditie en ontwikkeling van het motertje maar zijn die tegen de tijd dat voor hen de opleervluchten en competitie er aan komt terug grotendeels kwijt. Dat terwijl die nu net tegen die tijd top zou moeten zijn om de verdere training uit te bouwen en in de competitie te kunnen "scoren". Ze blijven immers niet weken aan een stuk uren en uren vliegen. 

Het moment van ontdekken, vliegen en wegtrekken proberen we dus door middel van de wisselwerking koolhydraten-vetten zodanig te sturen dat die periode in hun cyclus net dan valt zowat twee maand voor de competitieperiode er aan komt die we aangestipt hebben voor hen. 

De opbouw

In grote lijnen komt het er dus op neer dat we jonkies eens gespeend zo lang mogelijk op het dak houden door ze voldoende goed te voederen. Te vette (nou ja) of zware duiven vliegen wel es wat rond maar echt vaart en gedrevenheid kan je daar niet in terugvinden. Vanaf het ogenblik dat we de tijd rijp achten om ze hun conditie langzamerhand op te laten bouwen en het motertje te ontwikkelen voegen we geleidelijk aan meer ruwe celstof toe aan het voer en verminderen we ook de hoeveelheid voer. Meer ruwe celstof impliceert minder vetten en meer koolhydraten en daarop gaan ze makkelijker en vlotter op de vleugels.

En nog meer

Zitten we bijna aan het uur voegen we geleidelijk aan weer meer vetrijke granen en zaden aan het voer toe en dat zal er voor gaan zorgen dat ze de trainingskwantiteit nog op zullen gaan bouwen. Eens daar goed in het ritme gaan we van start met de opleervluchten wat ons dan weer ruimte geeft hun oriëntatie systeem wat extra te gaan trainen. Dat kunnen we makkelijk doen door ze in kleinere groepjes of zelfs alleen te gaan lossen. Hebben we daar een welbepaald niveau bereikt kunnen ze mee de grote mand in om te wennen aan alle rompslomp daaromheen maar vooral aan het wedstrijdritme.

Eens ze daar belanden hebben ze een zeer goede basisconditie en daaraan vast hangend een goed getraind oriëntatievermogen. Tegen dan is de tijd rijp om de competitie aan te vatten en zullen ze ook minder lang maar wel intenser gaan trainen. Dat komt goed uit want dat is ongeveer ook gemiddeld genomen het ogenblik dat beide geslachten meer en meer oog voor elkaar gaan hebben. Dat zorgt voor extra motivatie en dat alles samen zorgt er voor dat ze goed en degelijk voorbereid op de er door ons uitgepikte vluchten zouden moeten kunnen schitteren. Het hoeft niet gezegd dat de gezondheid ok moet zijn en de diertjes wat in hun mars moeten hebben...

Na de opbouw

Komt het er op aan de basisconditie te onderhouden, het oriënteringsvermogen op scherp te houden en de gulden middenweg aan te voelen tussen inspanning rust, voeding en training voor onze atleten om in de beste omstandigheden het einde van het seizoen of "hun" periode te kunnen halen.

Je kan ze zes tot maximaal acht weken top houden en dat op zich is al geen sinecure. In die zes tot acht weken zit een stukje "opbouw", zal er een top komen te zitten en is er een deeltje "weg terug".

Ze moeten in die tijd de basisconditie kunnen behouden, gezond kunnen blijven zonder er veel aan te moeten gaan prutsen, niet overtraind raken door ze te vaak te gaan oplaten of ze te zware wedstrijden te kort op elkaar te laten vliegen enz. Ook de voeding zal moeten aangepast worden aan de intensiteit van het vliegprogramma, daarbij rekening houdend met voldoende recuperatie, ontslakking en het terug opbouwen naar de volgende vlucht toe. De minste hapering daarin betekent telkens een stukje op weg naar "af" en op het allerhoogste niveau tegen de allerbeste liefhebbers op die nationaals betaal je dat gewoonweg cash!

Het cirkeltje moet gewoon op alle mogelijke manieren rond zijn en dat is nu net de uitdaging of niet dan? Succes ermee

Eddy Noel

Trainer van uw jonge duiven (1/2)
23-2-2008

Onze jonge duiven zijn steeds een wissel op de toekomst. Het goed lukken van de kweek daarvan bepaalt de kwaliteit van onze jongen, vervolgens jaarlingen, oude duiven en uiteindelijk het totaal evolueren van onze duivenkolonie. Een goede start is dus onontbeerlijk. Het spreekt voor zich dat de ouderdieren in optimale conditie moeten zijn en zo moeten we ze ook houden.

Zonder mankementen

Met tussendoor wat lecithine olie over het voer, te pas en te onpas wat probiotica door het drinkwater en zowat 5 à 6 voederbeurten per dag zorgen we er voor dat ze zonder noemenswaardige problemen uitgroeien tot gezonde jonge duifje. Eens geringd wordt het voer verstrekt in potjes in de woonbakken. Ze zien dan de ouders eten en eens wat groter hebben ze al vlug de neiging zelf wat te gaan pikken hier en daar. Jong geleerd is oude gedaan zegt het spreekwoord en als het echt niet kouder wordt komt dat nog goed uit ook. De ouderdieren zijn al vlug geneigd aan een nieuw nest te gaan beginnen en niet dat ze de jongen dan uit het oog zouden verliezen, maar het scheelt toch. Jongen die al flink mee eten hebben bovendien ook minder last van het "dipje" waar ze toch in terechtkomen nadat ze gespeend zijn.

Spenen

We spenen dat jong grut op een dikke laag houtkrullen. Zitten ze lekker warm en droog op. We moeten er alleen nog over waken dat ze de drinkpan leren kennen en gebruiken en dus op tijd en stond gaan drinken. We zetten er twee op het hok plus nog hier en daar een open potje waar we drinken in gieten en er eveneens wat graantje in kieperen. ´t Moet misschien niet persé allemaal maar kom, ze zijn nog flink in de opgroei en elk mankementje daarin willen we voorkomen. Zit er dan echt een domoor tussen die het niet snappen wil mag die al rustig vertrekken. De meeste van die jonge vogels zullen het immers nooit tot echte toppers schoppen en als het dan net die zou moeten zijn....

Voer

Het voer blijft onveranderd het premium kweekvoer van Matador gemengd met Turbo Energie. Waarom? In korte woorden komt het er op neer dat het voer zo is samengesteld dat  het erg veel benutbare eiwitstoffen bevat en daar uitvolgend dus veel minder ballaststoffen wat zowel voor de jongen als de ouderdieren merkelijk beter is
Ook nadat ze gespeend zijn blijven ze dat eten en dat steeds in die hoeveelheid dat er ten allen tijde voer beschikbaar is.

Hoeft het zo? Uitgroeien moeten ze doen, dat is zeker en daarvoor hebben ze de benodigde bouwstoffen nodig, doch eens ze in de bakjes zitten en hun eerste pasje op de plank en het dak maken worden ze al gauw eerder wat aan de te vette kant door zoveel "goed" voer. Op dat ogenblik hangt het er van af wat je wil gaan spelen en hoe je het seizoen voor die jonge garde in wil gaan delen om je strategie verder te bepalen. 

De cyclus

Jonge duiven volgen een welbepaalde cyclus en daar maken of proberen we "gebruik" van te maken net zodanig dat ze volop graag vliegen en trainen en trekken op het ogenblik dat de vluchten er aan komen die we voor hen op het oog hebben. Vanaf het ogenblik dat we het voer lichter maken door er bijvoorbeeld gerst of paddy, m.a.w. er meer ruwe celstof aan toevoegen gaan die jongen makkelijker op de vleugels. Doen ze dat voor zowat een uurtje zorgen we er voor dat we terug het vetgehalte in het voer omhoog brengen, wat er dan weer voor gaat zorgen dat het uurtje er makkelijk twee of meer worden. We maken dus gebruik van de wisselwerking koolhydraten-vetzuren-vetten en op die manier kunnen we makkelijk de trainingen sturen.

De juiste tijd

De jongen worden gespeend tegen zowat eind januari en als we er van uitgaan dat de eerste vitessevluchten er begin mei aankomen is het totaal zinloos ze eind februari al een uur in de lucht te hebben staan. Tegen de tijd van opleren en spelen zal de cyclus van omgeving verkennen en "trekken" al grotendeels voorbij zijn en heel vaak zullen de jonkies tegen dan met geen stokken meer van het dak te branden zijn. Niet vliegen en trainen betekent geen goede prestaties en aangezien we met onze duifjes competitie vliegen komt het net daar op aan.

Euh?? Trainen we niet vandaag dan??

De training en de opbouw ervan.

In gelijk welke sport heden ten dage wordt getraind volgens een weluitgekiend plan om net in de voorzien periode of voor een bepaalde wedstrijd een piek te kunnen inbouwen. Dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Een allereerste vereiste is een meer dan degelijke basisconditie. Het is een fabeltje te geloven dat de kracht van een atleet verscholen zit in de spieren en dat is al zeker niet zo voor duursporten. Formule één wagens hebben een zeer lichte carrosserie maar daar zit wel een zware motor in verscholen. Die motor bij atleten is het hart. Het hart pompt het bloed rond en zorgt op die manier voor voldoende zuurstof en voedingstoffen in de spieren. Net dat, en alleen dat bepaalt hoe lang en snel een duif kan vliegen. Hoe beter de zuurstof en voedingstoevoer, des te beter het gehele fabriekje werken kan.

Morgen deel 2 op de site!

Frisse lucht
6-2-2008

Lucht en zuurstof zijn zoals we allemaal wel weten van absoluut levensbelang. De hedendaagse kwaliteit van de lucht is evenwel sinds geruime niet meer wat het geweest is. Luchtvervuiling is een veelgebruikte term, die wel niemand vreemd in de oren zal klinken,  Meer en meer mensen met ademhalingsproblemen zijn daar niet vreemd aan zodat filters of allerlei andere methodes om de lucht te zuiveren flink in opmars zijn.

Over eentje ervan wil ik het hier eventjes hebben nl. de ioniser.

Zuurstof, als energiebron van het leven bepaalt hoe we ons voelen en hoe we eruitzien. Een goede zuurstofvoorziening is essentieel voor een vitaal en immuun sterk lichaam, maar ook voor een optimaal prestatievermogen. Onderzoek dat gedurende de laatste dertig jaar is gedaan, heeft overtuigende aanwijzingen opgeleverd dat luchtionen een sterk onderschatte rol spelen in de algemene gezondheid, en in de behandeling van allergieën, luchtwegaandoeningen en psychische klachten.

In de natuur heeft een klein deel van de luchtmoleculen een elektrische lading. Deze geladen moleculen worden luchtionen genoemd en hebben ofwel een positieve  ofwel een negatieve lading. Het verschil in concentratie tussen positieve en negatieve ionen doet zich voor omdat de aarde negatief is geladen t.o.v. de ionensfeer. Hierdoor worden negatieve ionen van de aarde afgestoten, terwijl positieve ionen naar het aardoppervlak worden aangetrokken. Als de positieve ionen overheersen of als het totaal aantal ionen tot een laag peil zakt kunnen allerlei ongemakken en minder efficiëntie in de activiteit waargenomen worden. Aan de andere kant kunnen mensen of dieren een toegenomen mentale alertheid, doelmatigheid en een verbeterd psychologisch welbevinden ervaren, indien de negatieve ionenconcentratie boven een bepaald niveau ligt.

 
We hangen de ioniser zo centraal mogelijk op het hok

Verschillende factoren beïnvloeden het aantal en de verhouding van de geladen ionen die in een ruimte aanwezig zijn. Wanneer buitenlucht door bvb.metalen kanalen van een airconditioningsystemen wordt gestuurd, verliest zij snel haar negatieve ionen en dit effect wordt nog versterkt door recirculatie van de lucht. De negatieve ionen verdwijnen eerder omdat zij lichter en mobieler zijn, zodat een overwicht aan positieve ionen resteert. Eenmaal in een vertrek worden de ionen beïnvloed door stofdeeltjes die door de lucht vervoerd worden en door de statische oppervlakte beladingen van meubilair, stoffen en apparatuur. De meeste plastic oppervlakken zijn positief geladen, waardoor negatieve ionen worden aangetrokken en positieve ionen terug worden gestoten in het vertrek. Dit is zeker het geval voor de positief geladen televisie en computerbeeldschermen.
Dit alles resulteert in een verstoring van het natuurlijke ionenevenwicht ten gunste van de positieve ionen. 

Het succes van negatieve ion-therapie kan op twee gronden verklaard worden. In de eerste plaats zuivert kunstmatige negatieve ionisatie de lucht van rook, stuifmeel en bacteriën door het neer laten slaan van de stofdeeltjes uit de lucht In de tweede plaats reduceren negatieve ionen de niveaus van vrij histamine en serotonine in het lichaam
 
Er wordt dus door negatieve ionisatie een gezonder, aangenamer levensklimaat geboden en in de tweede plaats wordt de concentratie van bacteriën in de lucht verminderd, waardoor het risico op infectie overdracht aanzienlijk verkleind wordt.
Met de Ioniser wordt precies zoals in de vrije natuur zuurstof geïoniseerd. Met behulp van een tweevoudig ionisatieproces produceert het apparaat een constante stroom negatieve ionen. Deze zorgen er voor dat schrale vervuilde lucht niet alleen verfrist maar ook gezuiverd wordt van stof, schimmels, bacteriën, virussen, stof, tabaksrook, stuifmeel enz. Het zorgt dus voor een gezonde atmosfeer in (dieren)verblijven wat er voor kan zorgen dat de gebruiker op werkelijk vitale en actieve wijze aan het leven kan deelnemen. De ioniser kan eveneens bijdragen tot de preventie en het herstel van lichamelijke klachten, maar ook worden ingezet voor het vergroten van de vitaliteit en het prestatievermogen, bijvoorbeeld op sportgebied. In alle gevallen heeft de ioniser een zeer positieve uitwerking op lichaam en geest. Geen enkele hoeveelheid negatieve ionen is schadelijk

Het meest belangrijke aspect aan het apparaat is dat het een beter algemeen klimaat schept. Het “trekt” enorm veel stof aan weet ik uit ervaring, wat misschien toch een hulp kan zijn voor mensen die slecht of niet tegen duivenstof kunnen. Dat het ook bacteriën en volgens de fabrikant virussen onschadelijk maakt is ook al mooi meegenomen. 

Eddy Noel

Omega
15-1-2008

Olie. Een “hot” item lijkt het mij. Welke olie is goed en welke is de beste?? Heel veel vragen kregen we er onlangs over op de Beurs te Oostende. We kunnen dan meteen de vraag beantwoorden met een vraag.

Waarvoor moet ze dienen??

De juiste brandstof, m.a.w. het juiste voer kan tijdswinst opleveren, daar hadden we het al over. Dat gekoppeld aan de eerste en allerbelangrijkste vereiste, namelijk goede duiven, kan een verschil maken.
Er zijn nog zo nog wel een paar dingen die wat tijdswinst op kunnen leveren. Olie bijvoorbeeld. Er zijn tal van soorten olie, zoveel zelfs dat in duivenland ook al wat dat betreft, we de bomen niet meer door het bos zien.

Schapenvet.

Het is allemaal zo een beetje begonnen met het schapenvet wat enkele sterk presterende noorderburen gebruiken. Schapenvet heeft voor wat het aanleveren van energie betreft het meest ideale vetzurenpatroon. De juiste verhoudingen van verzadigde, enkel- en meervoudige onverzadigde vetzuren zijn hier bepalend. Zoals elke medaille evenwel heeft ook deze een keerzijde. Duiven kunnen als graaneters namelijk maar een heel beperkte hoeveelheid dierlijke vetten opnemen. Het helpt dus geen zier je autotank te willen volstoppen met diesel als hij op benzine draait……

Soorten vetzuren

Vetten zijn opgebouwd uit vetzuren. Er zijn verzadigde vetzuren, enkelvoudige en meervoudig onverzadigde vetzuren. Het lichaam heeft verschillenden vetzuren nodig om goed te kunnen functioneren maar het steeds weerkerende probleem is dat we die in verkeerde verhoudingen in het voer terug vinden. Dat heeft zo zijn (negatieve) invloed op de conditie en algemene gezondheidstoestand

Omega 9

Is een enkelvoudig onverzadigd vetzuur. Het kan door het lichaam zelf aangemaakt worden

Omega 6 (linolzuur)

Is een meervoudig onverzadigd vetzuur. Aangezien onze duiven graaneters zijn, zijn de vetten die onze duiven opnemen voor 100 percent plantaardig. Die plantaardige vetten zijn een bron van omega 6 vetzuren. Op zichzelf zijn omega 6 vetzuren niet slecht. Wel de verkeerde verhoudingen tussen omega 3 en 6 zijn nefast. Een teveel aan omega 6 vetzuren is zeer ongezond in die zin dat het er in aanwezige arachidonzuur een ongewenste ontstekingsbevorderende werking heeft. Dat kunnen we best missen zult u wel begrijpen. Het toevoegen van omega 6 als voedingssupplementen is dus af te raden.
 
Omega 3

Een essentieel vetzuur, een vetzuur wat het lichaam dus niet zelf aan kan maken, namelijk het meervoudige onverzadigde omega 3 (alfa linoleenzuur) zit in absoluut onvoldoende mate in het voer.

Dat meervoudig onverzadigd omega 3 vetzuur vinden we  hoofdzakelijk terug in vette vis. EPA (eicosapentaeenzuur) en DHA (docosahexaeenzuur) Zoals eerder aangehaald echter kan het duivenlichaam amper een zeer beperkte hoeveelheid dierlijke vetten opnemen.

De voor ons duivenliefhebbers belangrijkste bron van omega 3 is het plantaardige omega 3 vetzuur uit lijnzaadolie. Het werkt vooral: 

  • ontstekingsremmend
  • het bevordert de hersenfuncties
  • het concentratievermogen
  • het immuunsysteem en
  • de vruchtbaarheid

De verhoudingen

Aan te raden is de balans tussen omega 3 en omega 6 te verbeteren door extra omega 3 als supplement te gebruiken maar tegelijkertijd de hoeveelheid omega 6 terug te schroeven.

Omega 3 toevoegen kunnen we door lijnzaadolie te gebruiken. De verhouding omega 3–6 daarvan is +/- 5 delen omega 3 tegenover 1 deel omega 6. Je kiest bij voorkeur voor een olie van eerste koude persing die je bewaart in een donkere fles. Daarvan kan je rustig dagelijks in die mate wat onder het voer mengen dat het er net glanzend uit gaat zien

Om vervolgens de verhoudingen nog te verbeteren zullen we het aandeel omega 6 moeten verlagen. Dat kunnen we enkel en alleen bewerkstelligen door de keuze van de granen en zaden in onze mengeling aan te passen.

Te mijden, of alleszins toch overmatig gebruik ervan zijn bijvoorbeeld zonnepitten. De verhouding omega 3-6 ervan is 1-630!!! Cardy bijvoorbeeld heeft zelfs een verhouding van 1-740!!!
U begrijpt vast dat zoiets geheel niet bij te sturen is door een beetje lijnzaadolie over het voer te doen. Er is meer voor nodig om tot de aanbevolen verhouding van 1deel omega 3 tot 2 delen omega 6 te komen. Het gebruik van granen en zaden met een goeie omega 3-6 verhouding zoals bijvoorbeeld raapzaad, koolzaad, kempzaad getoaste soja enz.brengen ons al een flink stuk op weg.

Een groot deel mengelingen op de markt hebben een verhouding die tussen 30 tot wel 72 (!) omega 6 tegenover 1 omega 3 zit. Zoveel olie om tot de verhouding 2-1 te komen kan je niet over het voer doen uiteraard. Het zou olie met voer worden in de plaats van voer met olie. Er zijn evenwel handelsmengelingen met verhoudingen die liggen tussen 4 en pakweg 10 tegen 1. Voegen we daar de olie nog bij aan toe komen we al een heel end in de goeie richting.

Geheel “perfect” kan het niet maar je kan echt héééééééél aardig in de buurt komen en dat merk je zelfs na een paar dagen al geheel goed aan de duiven. Aalglad komen ze er bij te zitten, steeds in optimale conditie, levendig, mooi roze met extra zacht aanvoelende pluimen en trainen en vliegen doen ze met veel plezier of niet dan J.?

Gezondheid <-> Brandstof
 
We kunnen de specifieke omega 3 olie dus in eerste instantie gebruiken om de onderliggende verhouding 3-6 te optimaliseren. Dat komt de algemene conditie en gezondheid ten goede. Als brandstof voor de vluchten komen we er echter niet echt veel verder mee. Toch zeker niet als er meerdere uren in moeilijke omstandigheden dient gevlogen. Vetten vormen zoals we weten de hoofdmoot van de brandstof voor onderweg.
Voor wat het leveren van extra energie voor de vluchten betreft moeten we dus op zoek naar een andere en betere oplossing.

Kort, bondig en makkelijk uitgelegd.

Je maakt de kachel aan met een aanmaakblokje. Vervolgens gaan er niet te grote stukken hout op. Die gaan makkelijk in brand en branden vrij hevig. Dikkere tot hele dikke stukken branden respectievelijk minder hard maar veel langer.
Onze olie voor de vluchten die de extra energie aan moet leveren zal dus de gulden middenweg in de verschillende soorten vetzuren moeten vinden tussen voldoende hevig en toch lang genoeg branden.

Er zijn de verschillende soorten vetzuren met elk hun specifieke structuur en eigenschappen. De aantallen koolstofverbindingen en de aantallen verschillende vetzuren eraan verbonden zijn voor elke olie weer anders. Het komt er  min of meer op aan door verschillende soorten olie samen te voegen, een zo gevarieerd en uitgebreid mogelijke samenstelling van vetzuren te verkrijgen die de reserves van brandstof voor onderweg zullen vormen. We houden er daarbij natuurlijk rekening mee dat we het positieve aandeel omega 3 niet uit het oog verliezen!
In een volgende bijdrage moeten we het misschien maar eens hebben over het samenstellen van een olie die we voor de vluchten kunnen gebruiken. Dit zou ons hier te ver leiden

Lecithine

Lecithine is een bruine pasta-achtige substantie die gebruikt wordt als emulgator en meestal  uit soja gewonnen wordt. Doen we bij voorbeeld olie in een glas water zullen we zien dat de olie boven komt drijven. Het water en de olie zijn niet te mengen. Voegen we evenwel lecithine er aan toe lukt dat wel. Sojalecithine is dus een emulgator of een molecule waarvan de ene helft in vet oplost en de andere in water.

Duiven kunnen vetten maar beperkt opnemen. Dat komt omdat ze geen galblaas hebben. Om die opname te verbeteren kunnen we lecithine aan de olie toevoegen. Die zal er voor zorgen dat de duif niet alleen makkelijker maar vooral meer vetten op kan nemen. Die lecithine heeft trouwens nog een paar andere voordelen.

  
  Soyabonen                                        Getoaste soyabonen

Eigenschappen van Lecithine

Lecithine verbetert de vertering en het transport van vetten. Het helpt met andere woorden vetten in het lichaam af te breken en zorgt op die manier voor het sneller omzetten van lichaamsvetten in energie. Dat is handig meegenomen wetende dat onze duiven vet als brandstof verbruiken tijdens het vliegen. Om die reden is het ook een aanrader om duiven die met overgewicht de winter uitkomen makkelijker hun overtollige vetreserves te laten verbranden.

Tussen twee vluchten door zorgt lecithine er voor dat de vetreserves sneller weer aangevuld en opgebouwd worden. Geven we het op het eind van de week voor vitessevluchten zorgt de lecithine er voor dat we een grotere hoeveelheid glycogeen, dus directe en makkelijk beschikbare energie in de lever, het bloed en de spieren kunnen opbouwen. Glycogeen zit in de spieren onder de vorm van minuscule vetdruppeltjes. De lecithine zorgt daar voor wat extra’s en dat kunnen we voelen. De spieren zijn iets meer opgeblazen als het ware, er staat meer spanning op. Door die extra energie trainen ze ook beter.
 
Verschillende testen en proeven hebben uitgewezen dat Lecithine eveneens het geheugen en het leervermogen verbetert. Dat is de reden waarom het gebruik ervan aanbevolen wordt aan studenten tijdens de examenperiode. Zoals we weten vliegen onze duiven deels op oriëntatie en deels op herkenning. Ook daar dus kan de gunstige werking van lecithine op de hersencellen ons voordeel opleveren.

Lecithine vermindert de toxiciteit van talrijke gifstoffen in het lichaam en het vergroot de synthese van hormonen. Zo verhogen bijvoorbeeld lecithine en choline de aanmaak van groeihormoon.

Gebruik van Lecithine

De lijnzaadolie mengen we met lecithine in een verhouding van ongeveer 1:3 tot 1:5 (waar de 1 staat voor 1 deel lecithine tot 3-5 delen lijnzaadolie). Gebruiken we dat voor en tijdens de kweek zorgt die combinatie er voor dat de jongen in perfecte conditie kunnen opgroeien. Proeven bij diverse diersoorten hebben trouwens kunnen aantonen dat dieren die in voldoende mate omega 3 in de voeding toegediend kregen intelligenter waren en men ze veel makkelijker iets aan konden leren. Zowel vloeibare lecithine als lecithine korrels zijn verkrijgbaar in de reform of natuurwinkel.

Kropmelk

In antwoord op een vraag naar aanleiding van ons vorig artikel over ruw en benutbaar eiwit nog even het volgende: Kropmelk heeft een extreem hoge voedingswaarde. Juist om die reden groeien de jongen zo snel. Ze bevat +/- 18 percent benutbaar eiwit en goed 12 percent vetstof. Vanaf de 5e dag echter schakelen de jongen over van kropmelk op het gewone voer en dat kan al es zorgen voor natte plekken rondom de nestpannen door spuitende jongen.

Waar de kropmelk 18 percent benutbaar eiwit bevat, bevat een gemiddelde kweekmengeling niet eens die 18 percent in ruw eiwit. Die eiwitbron bestaat dan nog hoofdzakelijk uit erwten en peulen en dat komt amper neer op goed gerekend en geteld maximaal 8 percent opneembaar eiwit. Dat is een immens verschil en daar heeft het jonge duivenfabriekje het behoorlijk moeilijk mee.
Gebruiken we een mengeling met minder erwten en vervangen we die erwten door vetrijke granen en zaden zal dat de overgang voor de jonge diertjes veel makkelijker maken wegens 1) minder afvalstoffen en 2) meer bouwstoffen. Dat is bovendien nog veel beter voor de ouderdieren ook.

Het is absoluut de moeite waard het te proberen!! Als ze zeggen dat iets de moeite waard is betekent dat evenwel meteen ook dat ge er soms al wel es wat moeite moet voor doen...

Succes ermee

Eddy Noel

Kunstlicht
21-12-2007

In mei legt elke vogel een ei dus november, december, januari... zijn nu niet per definitie de maanden waarin het als natuurlijk beschouwd kan worden. Om toch de natuurlijke situatie na te bootsen wordt op vele plaatsen gebruik gemaakt van kunstlicht. Een nog andere reden voor het gebruik van kunstlicht kan zijn dat de liefhebber voor het klaar wordt van huis weg is, en het bij thuiskomst reeds donker is als de duiven nog moeten verzorgd worden.
Om reden van het spel wordt ook al gebruik gemaakt van kunstlicht als ruibevorderende of ruiremmende, lees prestatiebevorderende ingreep zoals ik schreef in een vorige bijdrage

Daar kwamen zoveel reacties en vragen op (waarvoor dank trouwens!) dat het totaal onbegonnen werk zou zijn die stuk per stuk persoonlijk te beantwoorden. Vandaar dus dit extra artikel wat ik al es eerder schreef

Met kunstlicht  kan men enkele kanten uit, maar licht is niet zomaar licht.

Natuurlijk licht komt van de zon en is wit  Dat wit licht bestaat uit een mengeling van elektromagnetische golven met een golflengte tussen 380 en 780 nm (nanometer).
Dat wit licht kan onderscheiden worden in zeven basiskleuren welke het zichtbare lichtspectrum genoemd worden omdat ze met het menselijk oog kunnen worden waargenomen.
Deze kleuren zijn rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, en violet en bezitten ieder op zich een bepaald deel van de reeks golflengten van stralingsenergie.

  • Rood: 780-622
  • Oranje: 622-597
  • Geel: 597-577
  • Groen: 577-492
  • Blauw: 492-455
  • Indigo: 455-435
  • Violet: 435-380

Omdat de uitersten voor mensen minder waarneembaar zijn dan de waarden in het midden zal bvb een lamp van 40 watt zal bij 550nm veel meer licht lijken te geven dan een lamp van 40 watt met 400 of 700 nm.
Infrarood en ultraviolet bezitten respectievelijk waarden boven en onder deze voor de mens waarneembare golflengtes.

De lichtstroom die door een lichtbron wordt uitgezonden wordt uitgedrukt in lumen
De verlichtingssterkte wordt uitgedrukt in lux en wordt gebruikt als maat voor de lichtstroom die op 1m2 van een oppervlakte valt.
1 lux is dus 1 lumen per m2
 
Enkele voorbeelden

  • Vol zonlicht is 10,000 tot 100,000 lux
  • Bewolkte dag  100 tot 10,000 lux waarbij een wolkenachtige januari dag tegen de middag toch nog +/- 4000 lux kan bereiken
  • Schemering 10 lux
  • Sterke schemering 1 lux
  • Normale kamer 100-200 lux
  • Helder verlichte kamer 1000-2000 lux

Ter vergelijking, een gloeilamp van 100 wat geeft op een afstand van 1 meter een waarde van 150 lux

Niet alleen de sterkte is belangrijk, maar ook het spectrum (de kleuren) van het licht
Natuurlijk licht heeft een spectrum van ultraviolet tot infrarood waarbij het zonlicht het hoogst is in het blauwe en groene gebied. 
De golflengtes of het spectrum en de samengebrachte kleuren waarbij vogels het best zien zijn niet dezelfde als voor mensen. Daarenboven kunnen vogels een breder spectrum waarnemen dan mensen

We onderscheiden 3 soorten spectra

  • Continue spectrum wat betekent dat alle golflengtes van het zichtbare licht aanwezig zijn en langzaam in elkaar overgaan
  • Bandenspectrum waarin we begrensde gebieden van golflengtes zien.
  • Lijnenspectrum waarin het uitgestraalde licht slecht enkele golflengtes omvat

Kleurtemperatuur

Betekent de zichtbare kleur van de lichtbron en wordt uitgedrukt in graden Kelvin
Rood:  5900-6000
Geel:  5800-5900
Groen: 5000-5500
Blauw: 4700-5000
Violet: 4300-4700

De kleurweergaveindex (CRI of Color rendering index)

Geeft een aanduiding van de capaciteit van de lamp om de juiste kleuren weer te geven.
CRI 100 is de hoogste index en komt overeen met natuurlijk wit licht.van de zon
Een gemiddelde gewone fluoricentielamp haalt amper een gemiddelde CRI van 68 terwijl dat van een  gloeilamp nog minder is, met een groter tekort van de korte golflengtes

Hoe kunnen we deze informatie nu toepassen of er gebruik van maken?

Licht is belangrijk, maar hoeveel licht,  welke soort licht en welke lampen zijn geschikt voor het doel dat we willen bereiken?

Gaan we vroeg van huis weg en komen we laat terug tijdens de wintermaanden,  zodat we genoodzaakt zijn de duiven met kunstlicht te verzorgen zal een gewone gloeilamp met een laag wattage voldoende zijn De melker kan best “zien” wat hij doet. De duiven ook terwijl er toch geen nadelige gevolgen van deze belichting zijn voor een vervroegd intreden van het ruiproces.  De CRI waarde of het kleurenspectrum van een gewone gloeilamp zijn te beperkt.

Willen we de “kweekduiven” echter goed voorbereiden voor een vroege kweek zal een ander type verlichting nodig zijn om dat gestelde doel te bereiken.. In de natuur reageren vogels op de lengte en de intensiteit van het licht. Deze zorgen ervoor dat de hormoonwerking toeneemt.
Om dat terdege te bereiken zullen we kunstmatig licht nodig hebben dat zo kort mogelijk het spectrum van natuurlijke licht benadert. Dat omvat een zo hoog mogelijke CRI waarde, wat er op wijst dat alle kleuren van het natuurlijk licht zo goed mogelijk en in de juiste verhoudingen aanwezig zijn. Het is pas dan dat het lichaam met de aanmaak van stoffen door invloed van het licht kan functioneren.
Niet alleen het spectrum van het licht is belangrijk, ook de lengte, de duur van het belichten is dat. Vergelijken we het met de lengte van de dagen buiten bvb de wintermaanden komen we aan 10-14 uur zodat we ook daar zullen moeten bijsturen 
 
Een nadeel van juist die lampen die aan deze vereisten voldoen is dat enkel buislampen deze waarden het best benaderen en ze bovendien niet kunnen aangesloten worden op een dimmer tenzij je daar een specifiek model voor aan kan schaffen. Anderzijds kan dat opgelost worden door ze op een schakelklok aan te sluiten en tevens een tweede lamp (gloeilamp-daglicht lamp) op het hok te plaatsen die dan wel op een dimmer kan aangesloten worden. Dat zorgt ervoor dat de duiven niet eensklaps in het donker komen te zitten en ze de mogelijkheid hebben terug op hun nest te komen.


Gloei-daglichtlamp


Dimmer voor zowel gloei- als TL lampen wat bijzonder handig is om de schemerzones te verwerken in het belichtingssysteem 

Een ander nadeel van buislampen zijn de flikkeringen. Een traditionele magnetische ballast doet het licht aan en uit à rato van 50-60 flikkeringen per seconde (Hertz)  In tegenstelling tot mensen kunnen vogels deze “flikkeringen’ veel beter waarnemen wat voor degelijk wat stress kan zorgen.
Een elektronische ballast daarentegen zorgt ervoor dat het licht +/- 20.000 –30.000 keer per seconde aan en uitgaat. Dat wordt aanzien als standvastig licht, is veel relaxer en niet meer stresserend.

Zichtbaar en onzichtbaar licht

Een voordeel van deze lampen is dan weer dat ze twee delen licht bevatten  Zowel een zichtbaar als een onzichtbaar  Zoals eerder aangehaald bevinden zich de onzichtbare gedeelten licht aan elk uiteind van het kleurspectrum. Aan de rode kant zijn dat de infrarode golven . Aan de violette zijde hebben we de ultraviolette stralen. Deze zijn zelfs op bewolkte dagen altijd aanwezig.
De lampen bevatten een kleine hoeveelheid van zowel de UVA als de UVB stralen
UV licht activeert de synthese van vit D3, zorgt ervoor dat we ons beter en energieker voelen en geeft een positieve werking op het immuunsysteem.

Ruiritme

Hoe beter we het natuurlijke licht en de duurtijd ervan kunstmatig kunnen evenaren, des te beter we onze duiven kunnen voorbereiden om de vroege kweek in perfecte omstandigheden aan te vatten.
Nadeel van het zo perfect mogelijk nabootsen is dat het ruiritme verstoord zal worden. Voor de kweekduiven niet onmiddellijk een probleem. Voor de vliegduiven echter…..

Best is de duiven geleidelijk aan voor de koppeling te laten wennen aan het “kunstdaglicht”.  Daartoe kan je een gewone daglichtlamp (+/-RSI 69) of gloeilamp(wit) laten branden gedurende het gewenste aantal uren. Het “kunstdaglicht” kan je dan dagelijks een uurtje langer laten branden totdat je het gewenste aantal dagelijkse branduren hebt bereikt (10-14)
Het aantal Lumen is hier van iets ondergeschikter belang. Toch hou je best rekening met een waarde van zowat 4000-5000 Lumen.

Het aantal Lux dat daarmee verkregen wordt is afhankelijk van de binnenbekleding van het hok. Wit reflecteert beter licht terwijl donkere of houten wanden eerder geneigd zijn licht op te slorpen.
In tegenstelling tot de mens werkt de uv bestraling niet via het oog maar via het schedeldak bij vogels. De lamp(en) worden dus best aan het plafond bevestigd.

De vroege kweek

Voor duiven in optimale conditie vormt het vroeg kweken zelfs zonder extra belichting niet onmiddellijk een probleem.
Zomerjongen echter,  komen net doordat het zomer is en de omstandigheden voor wat betreft licht beter zijn,  gemiddeld beter, vlotter en mooier “op” dan dat over het algemeen winterjongen dat doen .

Het spel

We kunnen het systeem van verlichten echter ook met meer kans op succes toepassen om gedurende het seizoen net die periodes uit te kiezen  waarin we onze duiven wensen aan te zetten tot goede prestaties en het systeem van verlichten of verduisteren daaraan aan te passen.
De hoofdzakelijke reden van het al dan niet succesvol zijn van deze methode is mede afhankelijk van de juiste verlichting, correct toegepast en het respecteren van de fotoperiodes.
 
In de natuur worden de seizoenen voor vogels ingedeeld in 4 fotoperiodes waaraan ze hun dag en nachtritme aanpassen. Wij duivenliefhebbers kunnen deze periodes kunstmatig vervroegen of verlaten door middel van verduisteren en verlichten. 
Het zo getrouw mogelijk nabootsen van de natuurlijke omstandigheden is determinerend en bepaalt in welke mate ons ingrijpen succesvol is al dan niet.

Waar letten we op bij eventuele aankoop?

Full spectrum lampen bezitten het ganse spectrum in de juiste verhoudingen,  hebben een CRI waarde van minstens 92 (liefst hoger) en een Kelvin waarde van +/- 5500. Elke fabrikant gebruikt echter andere aanduidingen of nummers aangepast aan hun eigen gamma.zodat het moeilijk wordt hier een overzicht van te geven.

Succes er mee!

Eddy Noel

Broeden en kale jongen
13-12-2007

Als alles is goed gegaan mag het geen probleem zijn geweest de duifjes gekoppeld te krijgen. Voor de vroegste vogels onder ons dan toch niet, daar liggen al vast eitjes in de pan.

Op broeden

Krijgen ze karig voer. Ze moeten tenslotte alleen maar “zitten te zitten en broeden gelijk de kiekens” zoals ze dat hier zeggen. Veel energie kost ze dat dus niet. De benodigde energie voor duiven om hun temperatuur op peil te houden wordt geschat op 50 Kcal per dag. Veel meer dan dat doen opgesloten kweekduiven niet echt.  Een lichte rust, zuiverings of wintermengeling, naargelang de weersomstandigheden aangevuld met padie of gerst moeten ruimschoots volstaan. Tussendoor daar wat Sedochol over is perfect

Door het feit dat de duiven weinig eten, drinken ze uiteraard ook bijna niet. Je leest vaak dat liefhebbers op broeden een geelkuur aan de duiven vertrekken, doch als ze zo goed als niet of in elk geval te weinig drinken is dat ook maar niets. Bovendien zijn de duiven anderhalve tot een maand voor de koppeling nagekeken. Ze kwamen niet eens met vreemde duiven in contact dus als er nu eentje tussen zou zitten die ziek wordt van tricho…. Die mag al gelijk de baan ruimen vrees ik.
Duiven opruimen is trouwens soms een betere investering voor de toekomst dan er bij te kopen. Selecteren moeten we hoe dan ook constant doen.

We houden dat vrij karige regime aan tot de jonkies al goed uit het ei zijn want vergis u niet, wat de jonkies de eerste dagen te verorberen krijgen is geen voer maar kropmelk. Die kropmelk wordt door de kropwand aangemaakt en bevat alle benodigde bouwstoffen voor de jongen. Pas na zowat een dag of vijf gaan de jonkies over van kropmelk op voer. Tijdens en na die overgang is het voer héél belangrijk. Elk mankement daarin, (maar ook overdaad!!) wordt onverbiddelijk afgestraft. Vergeet niet dat het aanvankelijk hulpeloos kleine gele dingetje op amper 20-22 dagen, afhankelijk van het voer, een op zichzelf staand wezentje wordt.

Eens geringd

Plaatsen we stenen potjes in de broedvakken. Dat maakt het de ouders wat makkelijker en heeft als voordeel dat naarmate de jongen opgroeien, ze meteen leren van de ouders. Binnen de kortste keren eten ze gewoon mee. De restanten als die er zijn worden in de gemeenschappelijke voerbak gegoten alvorens er vers in de potjes komt. Op die manier hoeft niemand iets te kort te komen en wordt er ook niet gemorst met het voer.
.
Dingen TE goed willen doen gaat maar al te vaak de verkeerde kant op. Met een goed gevarieerd en uitgebalanceerd voer, met daarin een voldoende hoeveelheid hoog benutbaar eiwit en waarvan de granen en zaden van onberispelijke kwaliteit zitten zie ik het niet als een noodzaak veel extra dingen te gaan toedienen zoals (kweek)vitaminen, aminozuren, eiwitkorrels en dergelijke meer.

Die zaken zijn maar al te vaak een extra te verwerken ballast voor de ouderdieren, maar meer nog voor het prille inwendige fabriekje van die jonge duivenlichaampjes. Het komt altijd op hetzelfde neer. Als gezonde vitale ouderdieren niet in staat zouden zijn om zonder al die "extra's, op een normale degelijke manier een koppel jongen groot te brengen, waar om de liefde gods zijn we dan wel mee bezig??

Ruw eiwit en benutbaar eiwit

Eiwitten zijn de bouwstenen voor het lichaam. Niet het percentage eiwit van het voer of bijproducten is belangrijk maar wel de biologische waarde van dat eiwit. Meestal staat alleen het ruwe eiwitgehalte vermeld. De biologische waarde betekent het gedeelte van dat ruwe eiwit dat voor onze duiven benutbaar is. Het gedeelte dat ze kunnen opnemen en waar ze dus wat aan hebben. Een voer met een hoog ruw eiwitgehalte kan toch makkelijk een lager benutbaar eiwitgehalte hebben dan een voer met een lager ruw eiwitgehalte. (leest u het anders nog maar es overnieuw)

Zeggen we eiwitten, denken we vaak meteen aan erwten, bonen en nog allerhande peulvruchten. Dat klopt nog ook. Erwten bijvoorbeeld bevatten dik 23 percent eiwit. Ruw eiwit wel te verstaan. Nog geen dertig percent echter daarvan is benutbaar. Dat betekent in de praktijk dat per drie erwten die onze duiven opeten ze amper nut hebben aan ééntje daarvan. Die twee anderen moeten evenwel ook verwerkt worden door het duivenlichaam. Die belasten dus alleen maar flink onnodig het organisme en verhogen alleen maar de hoeveelheid afvalstoffen. Ze gaan met anderen woorden via de krabber en het vuilblik gewoon de messton in.

De eiwitten hoeven dus niet per definitie uit peulvruchten te komen. Vetrijke granen en zaden bevatten hoge eiwitgehaltes die bovendien veel beter en makkelijker opneembaar zijn dan die uit erwten. Gemiddeld genomen ligt de opneembaarheid van eiwitten uit de vetrijke zaden rond de 60 percent. Veel meer rendement en een pak minder afvalstoffen dus. Dat is beter en voor de ouders en voor de jongen.

Aminozuren

Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. Er zijn de essentiële en de niet essentiële aminozuren. De niet essentiële kan de duif zelf aanmaken terwijl de essentiële in voldoende mate in het voer aanwezig moeten zijn. De duif kan deze namelijk niet zelf aanmaken. Dat is meteen ook de reden waarom duivenvoer, en in dit geval het kweekvoer zo ruim mogelijke gevarieerd moet zijn. Het is namelijk zo dat zelfs wanneer er maar één enkel essentieel aminozuurtje ontbreekt, de duif het eiwit niet eens kan aanmaken.

U ziet een houten regenton voor u? Wel, die is opgebouwd uit verschillende “lamellen” die netjes tegen elkaar aan staan. Daarom houden ze ook het water in de ton. Halen we der eentje tussenuit, loopt al het water weg. Dat maakt de overige lamellen eigelijk meteen waardeloos zijn in het geheel. Met zo’n regenton kun je helemaal niets beginnen.
Is een bepaald aminozuur toch aanwezig maar in bijvoorbeeld onvoldoende mate betekent dat een lamel in onze regenton die korter is dan de andere. Ze houdt dan wel water al is dat dan maar net zoveel als tot aan de hoogte van die kortste lamel.

Eiwitten en de kweek

Er zijn immense verschillen in de soorten kweekvoer. Mengelingen met veel peulvruchten en heel weinig vetrijke zaden hebben een zeer lage benutbaarheid. Het opneembaar eiwitgehalte ervan ligt tussen de 6 en 7 percent en dan hebben we het nog niet eens over de aminozuren.

Een kweekvoer zonder peulvruchten daarentegen levert ons gemiddeld genomen een opneembaar eiwitgehalte op van 10 tot 12 percent.
Nog een verschil tussen veel of weinig peulvruchten is de hoeveelheid mest die de duiven produceren. Die wordt aanzienlijk minder met een mengeling die hoog in benutbare eiwitten zit. Ze eten er bovendien nog minder van ook terwijl de jonkies met gemak twee dagen eerder speenrijp zijn. Dat is natuurlijk niet meteen een doel op zich.

Besluit

We zorgen voor een kweekvoer dat voldoende ruim gevarieerd en goed uitgebalanceerd is. Het percent maïs houden we aan de lage kant. We hebben immers eiwitten nodig en niet zozeer hoge waardes aan koolhydraten. Bovendien eten ze die instinctmatig niet eens op als ze met jongen in het nest liggen. Peulvruchten houden we eveneens aan de lage kant. In de plaats daar van verhogen we het aandeel vetrijke zaden. Getoaste soja en pindanoten bevatten trouwens eveneens hoge percentages benutbare eiwitten. Ondanks we die  vetrijke zaden liefst zo gevarieerd mogelijk hebben,  kiezen we hoofdzakelijk toch voor die zaden met de beste omega 3-6-9 verhoudingen. Dat komt de algemene ontwikkeling van de jonge diertjes flink ten goede bevordert tevens de ontwikkeling van de hersenen., houdt ontstekingen makkelijker weg enz.

Colostrum

Ook wel biestmelk genoemd (en evenzeer een hoge bron van benutbare eiwitten) is de melk die gedurende de drie eerste dagen door bijvoorbeeld schapen, runderen, paarden, afgescheiden wordt om hun jongen te zogen. Deze missen gedurende de eerste levens uren en dagen de levensnoodzakelijke afweerstoffen waardoor ze bijzonder kwetsbaar zijn.
Het is wetenschappelijk bewezen dat deze melk heel wat substanties bevat die de immuniteit bevorderen en ze dus bijgevolg onmisbaar maakt voor de opgroei van de jonge dieren.
Deze biestmelk bevat tegelijkertijd hele hoge benutbare eiwitgehaltes.

Jongen duiven zijn eveneens bijzonder kwetsbaar gedurende de eerste levensmaanden omdat ook hun afweermechanisme nog niet alle afweerstoffen bevat.
Het regelmatig toedienen van deze melk, die overigens ook heel wat antistoffen bevat,  helpt hen op natuurlijke manier het afweersysteem en de weerstand  opbouwen waardoor de kans op ziekte verkleind wordt, de duiven krachtiger, vitaler en levenslustiger worden.

Een natuurproduct dus dat op natuurlijke manier onze sportduif ten goede kan komen
Verkrijgbaar in poedervorm en per 20 duiven een koffielepeltje over het voer tweemaal per week gedurende de eerste levensmaanden. In geval van infecties, een middel om de duiven vlugger en beter te laten herstellen. Kan ook gewoon tijden het seizoen om de weerstand en kracht van de duiven te verhogen.

Vragen staat vrij

En we kregen alweer een heel pak vragen naar aanleiding van het vorige artikel. Da ’s heel mooi natuurlijk. Van vragen is immers nog niemand dommer geworden. Toch is het onmogelijk die allen te beantwoorden.
Vaak is het zo dat het antwoord op een vraag al meteen terug nieuwe vragen oplevert. Op zich is dat geen probleem. We zullen trachten die dingen een beetje te bundelen en via een artikel in de krant de antwoorden te geven.

Kreeg nog net een liefhebber aan de lijn. Na een twaalfdaagse kuur met Baytril wegens steeds maar weer problemen met de luchtwegen, van ellende moeten teruggaan naar de vet. Daar mag hij nu nog es net zoveel dagen als ze broeden bijdoen. Zeventien dus laat onze zeggen + twaalf is 29 dagen…….  Voor de rest schijnt alles in orde te zijn…..

’t Is knap als je maar de helft gelooft van wat ze zeggen.
Nog veel knapper is wanneer je weet welke helft je moet geloven!

Koppelen
6-12-2007

Duiven kweken, niets zo makkelijk als dat. Je gooit er een deleke samen en als je ze hun gang laat gaan is tegen het end van het jaar het hok alras te klein. Da ’s een manier, maar er zijn er ook nog andere. Geen enkele van die manieren is echter zaligmakend, laten we dat vooral niet uit het oog verliezen!
Er zijn verschillende kweekmethodes waarvan we gebruik kunnen maken, elk met hun eigen voor en nadelen.
We zetten ze even op een rijtje

Kruisen
We laten een poedel met een poedel paren en dat geeft als resultaat een poedel. Laten we een bobtail met een bobtail paren kweken we bobtails. Laten we een bobtail paren met een poedel kweken we ook een hond.
We hebben dan drie honden bij manier van spreken en ’t zijn drie verschillende maar wel steeds honden…..

Met kruisen wordt bedoeld dat u duiven van verschillende liefhebbers tegen elkaar koppelt. Wat ouders en voorouders enz betreft vinden we helemaal geen verwantschap in de afstamming terug. Genetisch gezien hebben ze dus weinig of niets gemeen. Het voordeel van kruisen is dat je gemiddeld genomen heel vitale duiven kweekt. De combinatie van de genen van twee totaal verschillende “rassen” kan zorgen voor betere prestaties dan de ouders meteen zouden laten vermoeden. Met andere woorden, je maakt ten volle gebruik van het heterosis effect.

Een nadeel is dat wanneer je een goed koppel ontdekt, de extra vitaliteit, wat de jongen uit dat bewuste koppel nu net zo “goed” maken, niet mee vererft in de volgende generatie en er dus in de nakweek enorm veel afval zal gekweekt worden.
Nog een nadeel is dat wanneer het goede koppel geen jongen meer geeft je maar beter kan hopen dat je tegen die tijd een ander koppel kon ontdekken dat “pakte”, of je bent meteen duivenmelker af.

Inteelt
De definitie van inteelt is dat je duiven in bloedverwantschap kweek zoals bij voorbeeld  vader x dochter, zoon x moeder, broer x zus, neef x nicht enz. Een ABSOLUTE voorwaarde is dat de uitgangsdieren, deze dus waarmee je wil gaan intelen, van UITSTEKENDE kwaliteit zijn. Daar staat of valt het geheel mee. Door inteelt concentreer je immers zowel de goede als de minder goede alsook de slechten genen..
Je legt dus alvast, en die eerder dan de goede eigenschappen, de fouten en foutjes vast. Zeer strenge selectie van de fokdieren is dus een noodzaak. Komt daar nog bij dat niet alle duiven makkelijk of goed inteelt verdragen.
Naarmate het bestand voor diverse eigenschappen meer homozygoot wordt zullen de duiven met hun gaven en gebreken meer en meer gelijkenis vertonen in uiterlijk, karaktertrekken enz. Daarmee gepaard gaande moeten we steeds weer een ietwat vitaliteit prijs geven en op langere termijn blijft dat niet zonder consequenties, vooral dan voor wat de vluchten betreft. Voor kweekduiven is dat niet onmiddellijk een probleem, integendeel zelfs, doch voor de vliegduiven zullen we nauwlettend, zelfs binnen ons inteeltbestand de diversiteit in het oog moeten houden.

Lijnenteelt
Lijnenteelt voor ons duivenliefhebbers betekent dat we uit onze aanvankelijke basisdieren een paar betere verervers kunnen vinden die we vervolgens “in lijn” verder kweken. Je gebruikt dus met andere woorden steeds duiven uit dezelfde voorouders die bewezen hebben over de goede genenstructuur te beschikken om het tot goede duif  “te schoppen”

Welke kweekstrategie je ook gebruikt, in de opbouw van een stam maken we steeds gebruik van zowel kruisingen, inteelt als lijnenteelt als kweekmethodes. Het komt er op aan de genetische variëteit binnen je bestand te beperken door gebruik te maken van inteelt en lijn- of familieteelt, doch  tegelijkertijd door opmerkzaam op uiterlijk waarneembare kenmerken te zijn, een zo hoog mogelijke diversiteit in de stam te houden.
Over elk van die dingen kan je makkelijk een ganse krant vol schrijven. Dat kan niet meteen de bedoeling zijn dacht ik zo. Misschien dat we bij gelegenheid op een later tijdstip er wat dieper op in kunnen gaan als daar interesse zou voor bestaan. Dat horen we dan wel.

Hoe dan ook,  welke kweekmethode je ook gebruikt, onafhankelijk daarvan zijn er nog steeds een paar dingen waar je rekening mee kan houden.

Ogen
Ik probeer in de mate van het mogelijke geen witogers met witogers te koppelen. Dat heeft helemaal niets te maken met het feit dat je daar geen goede duiven uit zou kunnen kweken. Het heeft er alles mee te maken dat witte ogen recessief zijn en dat op termijn zeker niet zou ten goede komen aan de diversiteit wat oogkleuren betreft op onze hokken. Wit met wit geeft immers altijd wit en bovendien is het mijn ervaring dat bij die homozygoot witte ogen het net iets moeilijker is de kwaliteit van het oog op niveau te houden, m.a.w, dat ze vrij vlug degeneratief zijn.

Hierbij letten we, onafhankelijk van de kleur, speciaal op de meest geschikte balans tussen koeling en flexibiliteit van het oog. Die dingen  hangen af van de dikte en omvang van de iris. Driekwart tot volle, niet al te dikke irissen zijn de duiven die het het best doen op de zware halve fond tot dagfondvluchten en met de doorsnee weersomstandigheden hier ten lande. Gemiddeld genomen vererven die dingen intermediair wat wil zeggen dat zwart + wit grijs als uitkomst geeft. Voor kruisingen kan dat makkelijker iets grijzer zijn door de meer vitaliteit (rijkere bloedvoorziening) terwijl het voor inteelt en lijnenteelt iets minder grijs kan zijn. Koppelen we bij onze duiven dus  een halve iris met een volle geeft  dat +/-een driekwart.

Vleugels
Snelheid is een belangrijke factor in de duivensport. Vliegtechnisch is het zo dat een korte schouderaanhechting voor een vluggere en krachtigere vleugelslag kan zorgen. Een korte voorarm zorgt op zijn beurt voor een smaller draagvlak. Hoe groter dat draagvlak hoe meer zweefvermogen de duif heeft en hoe makkelijker ze dus in de lucht kan blijven. Doch, dat grotere draagvlak werkt flink remmend op de snelheid. Afhankelijk van de vluchten die je op het oog hebt probeer je dus die vleugels er aan te kweken die het meeste rendement geven. Voor twee uurkes vlucht moeten ze bij wijze van spreken niet eens een draagvlak hebben. Daarmee zouden ze het echter geheel niet redden op vluchten van 8 of 10 uren of meer.


Snelle vleugel                                 Tragere vleugel

Linkse en rechtse
Van iedere kweekduif hou ik bij of ze links of rechts is. Een linkse duif heeft de bovenste staartpen met de vlag naar de linkse kant toe liggen
Voor een rechtse is dat uiteraard het omgekeerde.

Als u goed oplet zal u tevens merken dat linkse duiven meestal ergens links op het hok hun plaatsje vinden en rechtse dat aan de rechterkant doen.


Linkse                                                   Rechtse

Zoals u weet is de staart van de duif van immens belang voor wat betreft zowel de ballans in de lengte als de breedte as. De duif stuurt er niet alleen mee maar gebruikt die ook en vooral tijdens het vliegen om er mee in het meest voordelige evenwicht te blijven. Hoe meer ze daar moet bijsturen evenwel, hoe vermoeiender dat is en dus meer energie dat kost.
Een goed evenwicht geeft dus meer rendement en zeker naarmate er meerdere uren dienen gevlogen.

Pauwstaarten hoef ik dus niet. Vliegen ze goed, des te beter maar aangezien het een dominant verervende fout is gebruiken we die duiven vast niet voor de kweek. Sterke staarten zijn dus niet onbelangrijk. Een mede bepalende factor hierin zijn de veren onderaan de staart. Hoe verder die rijken en des te steviger ze zijn des te meer steun geven ze aan de staart tijdens de vlucht. Uw beter kweek- en vliegduiven scoren vast hoog wat dat betreft als u het nakijkt.

Indien mogelijk houden we er rekening mee dat we een linkse aan een rechtse koppelen. Rechts met rechts kan ook best doch als je ook maar twee of drie generaties na elkaar  links met links koppelt zal je merken dat het een flinke terugval oplevert.

Pigmentatie
Met pigmentatie wordt vaak bedoeld de intensiteit of “diepte” van de kleur in de pennen. Dat geeft nuances van diepzwart tot dof grijs wat volgens sommige bronnen samen zou hangen met de vitaliteit al ben ik het er persoonlijk niet helemaal mee eens.

Verder letten we er in de mate van het mogelijke op dat we geen extremen tegen elkaar koppelen. Niet een hele grote met een hele kleine, niet een lange met een korte, we ongeveer dezelfde types van duiven aan elkaar koppelen enz
Hoe beter en strenger we onze kweekduiven selecteren des te minder compromissen we moeten sluiten bij de koppeling en dat is altijd veel handiger dan voor vele dingen op “zoek” te moeten gaan naar de gemiddeldes.

Goed en beter
Al deze afzonderlijke eigenschappen hoe goed of slecht een duif er ook in scoort zijn niet individueel bepalend of ze goed of slecht is. Als we van de veronderstelling uit zouden gaan (wat een utopie is uiteraard) dat we twee identiek bekwame duiven zouden hebben en duif A in tal van eigenschappen beter scoort dan duif B zal hoe dan ook Duif A als eerste aankomen en daar draait het spelletje tenslotte om. Daar de hierboven aangehaalde eigenschappen relatief makkelijk gekweekt kunnen worden zou het niet wijs zijn er geen rekening mee te houden.

Uitbreiding
Dat is ook de reden waarom je beter duiven bijhaalt in functie van wat je zelf op de hokken hebt. Heb je een overvloed aan witogers op het hok zorg je er voor dat een bijgehaald beestje niet ook een witoog is. Heb je grotendeels genopte vogels in de kooi probeer er dan voor te zorgen dat je er bij voorkeur geen genopte witogers bij haalt enz, of het zou moeten zijn dat het echt een supervogel is. Ongelukkiglijk vliegen die er niet bij bosjes. Doen ze dat wel al zijn ze misschien niet eens te koop en als dat al wel het geval zou zijn, zeker niet voor de doorsnee beurs. Blijft er maar één optie en die is ze zelf te kweken…….

Op scherp
Als alles goed is gegaan moeten de duiven er nu super op staan.Ze werden karig gevoederd met de ontslakkingsmengeling. Hoeveel ze dan wel krijgen? Wel de duivinnen moeten het stellen met een schamele 15 gr per dag zo ongeveer want afmeten doe ik dat niet. Voor de doffers is dat net een ietsiepietsje meer. Grit krijgen ze voldoende, want ik durf ook al es een dagje overslaan wat voederen betreft, en dan hebben ze toch iets te pikken.

Jodium
Om de stofwisseling wat te versnellen en de donsval desnoods nog wat te stimuleren durven we al eens een dagje Elexir van De Reiger in het drinkwater kieperen. Dat bevat namelijk jodium. Het werkt dus nog ontsmettend ook. Niet dat dat onmiddellijk nodig zou zijn want de beestjes zitten wat gezondheid betreft perfect in de haak. Nogal wiedes eigelijk, ze zitten er maar wat te zitten en voor wie dat al te lastig zou zijn om gezond en wel te blijven.....

Jodium werkt activerend en ontsmettend maar het tast ook de darmflora aan. Niet vergeten die dus nadien effe terug op peil te brengen. Dat kan met Biograde yoghurt, hebben we er meteen nog wat dierlijke eiwitten bij of anders met een goed probiotica poeder. Die zijn er momenteel met de duiflichaamseigen Sallivarius beestjes. In tegenstelling tot andere lactobacillen zetten deze zich wel vast aan de darmwand en vermeerderen ze daar ook zichzelf. Het is onderhand algemeen geweten dat een perfect werkende darmflora zowel bij mens als dier heel erg ten goede komt aan de algemene gezondheidstoestand.

Voldoende voer
We zorgen er voor dat ze tegen de koppeldatum geheel verzadigd zitten als zouden ze op vlucht mee moeten. Noch duivinnen noch doffers hebben dan honger of dorst en alleen maar oog voor elkaar. Goed voorbereidde duiven, op één enkele uitzonderring na, paren dan ook zonder moeite of noemenswaardige problemen.

Eens ze samen zitten wordt er gevoederd in de woonbakken waar eveneens dagelijks een beetje verse grit wordt gegeven. Jagende doffers laten vaak hun duivin weinig of geen kans wat te gaan eten, laat staan grit te pikken en aangezien de kwaliteit van het jong al begint bij de kwaliteit van het ei zou het niet handig zijn dat ze amper heel onregelmatig hier en daar een boontje kan pikken. Idem voor wat grit betreft en dus de kalktoevoer voor de eieren. Dat in de kweekbakken voederen houdt aan tot de eieren gelegd zijn.  Hou er tevens rekening mee dat jagende doffers niet meteen a priori aan eten denken en ze net tijdens dat jagen zowat drie a vier gram extra vet verbruiken per dag. Beetje extra snoepzaad of pinda’s moeten kunnen.

Het kweekvoer, een voer met daarin veel granen en zaden met een hoog benutbaar eiwitgehalte krijgen ze ongelimiteerd tot aan de leg van het eerste ei. Ze moeten wel alles opeten eer er vers voer in de potjes komt. Belangrijk is de duiven vooral tijdens de broed een optimale conditie behouden. Dat doen we met een heel licht voer. Broedende duiven verbruiken zo goed al geen energie en al zeker niet bij deze temperaturen. Als je dus niet oplet worden het zo meteen "vetganzen" en (te)vette atleten en conditie....

Op broeden
Ook Tijdens het broeden voederen we dus twee keer per dag, maar dan wel in de gemeenschappelijke voederbak. We houden ze kort, hééél kort. Blijft er eentje op het nest of van zodra er eentje terug naar het nest vliegt stoppen we meteen. Grit, twee keer per dag vers water en een goede mineralenmengeling staan steeds ter beschikking. Twee à drie keer per week een badje en zo kunnen ze het stellen tot wanneer de jonkies te voorschijn komen.

In een volgende bijdrage gaan we verder met de opfok van onze jonkies
Het belang van een kweekvoer met een hoog opneembaar eiwitgehalte en op vraag van één onzer lezers zullen we uit de doeken doen hoe en waarom de specifieke duivinnenspelers na een relatief korte periode veel meer betere doffers gaan kweken dan duivinnen.

Eddy Noel

Dit artikel mag niet zonder toestemming van de auteur worden gekopieerd!

Voorbereiding kweek
19-11-2007

De voorbereiding van de winterkweek is altijd weer een cruciaal moment in het jaar. De kwaliteit, maar daarnaast en in het geheel niet onbelangrijk, de conditie van de ouderduiven, zullen de kwaliteit bepalen van de jonkies en die jonkies zijn op hun beurt de toekomst van onze kolonie.
We streven er naar om beter en beter te worden en beter worden komt natuurlijk niet als vanzelf zomaar aanwaaien. Het begint al met wat en hoe we kweken. Kweekduiven die niet geheel gezond en in picco bello conditie zitten kweken ook navenant. Het is raar maar waar, heel vaak doen jonkies van de tweede ronde het stukken beter dan deze van de eerste. De hoofdreden daarvan is gewoon dat de kweekduiven de gewenste conditie pas verkrijgen op hun eerste nest.
Kwaliteit en conditie hebben we dus nodig, en daarbij rijzen al meteen twee vragen. Wat is kwaliteit en hoe krijgen we de ouderdieren in die gewenste perfecte conditie? Beginnen we met:

De perfecte conditie

Nu reeds moeten de duiven er perfect op staan. Dat betekent dat de dieren op zijn minst vrij zijn van welke ziekte dan ook. Gezond zijn, conditie of vorm hebben zijn dan nog drie verschillende dingen
Het ene komt er evenwel niet zonder het andere. Duiven waar wat aan hapert krijg je niet in conditie laat staan vorm. Duiven die gezond en in goede conditie zijn behoeven er mooi glad, strak met rozig vlees en zonder oude dons uit te zien.
Het niet donzen van duiven moet trouwens steeds meteen een belletje doen rinkelen. Of er is wat op komst wat ziekte betreft of de duiven zijn te zwaar aan het worden. Zijn of worden ze ziek gaat u naar de dierenarts, heeft u ze langere tijd te zwaar of verkeerd gevoederd is het zaak daar bij te sturen.
Die dingen gebeuren makkelijk weet ik uit ervaring. De kweekduiven kweken in de meeste gevallen één of twee rondes jongen en tegen die tijd komt de aandacht hoofdzakelijk bij de vliegduiven te liggen.


Te veel oude dons Bijna goed

Oude donspluimpjes herken je door het feit dat ze dikker en“pluiziger” zijn.
- Een dagske of twee zonder voer als de duiven te zwaar zijn kan helpen om overtollig oude dons te verwijderen.
- Tarwe aan de kook brengen en het kookwater ervan een paar dagen aan de duiven geven is eveneens een probaat middel
- Sedochol of een licht theetje zijn ook een aanrader

Bedenk wel dat voorkomen veeleer de boodschap is!

Seizoenen

Wedstrijdomstandigheden en spelmethodes nopen er ons toe vroeg te gaan kweken om met de jongen enige kans op slagen tijdens het wedstrijdseizoen te hebben.
Winterkweek echter, is een onnatuurlijk iets voor onze duiven. Als we de natuurlijke seizoenen zouden volgen leven vogels op dat tijdstip in barre, schrale omstandigheden en er wordt helemaal niet aan de voortplanting gedacht. Overleven op zich is al een kunst.
Waar ze in het najaar en tijdens de rui nog een overvloed aan allerlei voedsel hadden staat dit in schril contrast met wat er tijdens die donkere koude maanden op het menu staat. De opgedane reserves komen dus goed van pas doch ook deze zijn op het ogenblik dat de lente terug het land in komt compleet opgebruikt. Ze komen dus rank en slank de winter uit, om vervolgens te gaan zorgen voor het nageslacht en zo zou het onze duiven ook moeten vergaan. Te vette duiven bevruchten en leggen immers mateloos slecht en dat zijn al meteen een flink aantal minpunten nog voor de start
Om alles zo goed mogelijk te laten verlopen voor onze kweekduiven zullen we dus trachten het “seizoen” wat op te schuiven. Dat betekent dat we na de rui waar er overvloed en alles volop voor handen was, we op dit ogenblik die kweekduiven zo schraal mogelijk houden. En dat schraal houden heeft zo zijn functie.

Ontslakken

Met ontslakken bedoelen we het opschonen van de darmen. Alle mogelijke en onmogelijke voedselresten dienen, net zoals dat bij de vogels in de natuur er aan toegaat, te worden verwijderd uit die darmen. We komen daar toe door een voer te geven wat vrij veel en verschillende soorten ruwe celstof bevat. Het werkt een beetje zoals zouden we de vloer vegen met een borstel, er vervolgens met de stofzuiger nog es over gaan om nadien ook nog eens te dweilen. Alles wordt dan kraaknet.
Het resultaat bij onze duiven daarvan is een totaal nieuwe darmflora die niet alleen beter opgewassen is tegen mogelijke indringers, maar er eveneens voor zorgt dat voedingsstoffen uit het voer veel beter opgenomen worden.


Ontslakkingsmengeling

Ruwe celstof

Vinden we onder andere hoofdzakelijk terug in:
Gerst, paddy, boekweit, kardi, zonnepitten, gepunte haver. Een goede winter mengeling bevat deze ingrediënten in ruim voldoende mate.
Het voordeel is dat het extra reinigend werkt, een nadeel is een beetje de verkeerde omega 3-6 verhouding al zouden we die wel gedeeltelijk bij kunnen sturen door een weinig lijnzaadolie te gebruiken. We gebruiken bij voorkeur koudgeperste niet geraffineerde lijnzaadolie.
Het gebruik van een goed probiotica helpt dan weer bij de aanmaak en het vernieuwen van de darmflora.
We voeren karig, net zoveel tot 1 duif/10 gaat drinken en dan houdt het op. We voeren evenwel twee keer per dag om te voorkomen dat de stofwisseling gaat vertragen. Dat moeten we op dit ogenblik niet hebben voor duiven die binnen enkele weken aan de kweek moeten.


Links: Gevoederd met goeie omega 3-6 verhoudingen
Rechts: Gevoederd met verkeerde omega 3-6 verhoudingen

In mei leggen alle vogels een ei.

Of alzo zegt het spreekwoord toch. Hebben we de winterperiode vervroegd voor onze vogels, zullen we dat vervolgens ook doen met de lente. De dagen lengen tegen die tijd geleidelijk aan terwijl voedsel eveneens terug beter bereikbaar wordt.
Putje winter moeten we het stellen met zowat acht uurtjes licht per dag en dat is dan nog niet eens heel intens licht. Eind maart begin april komt de zon al op om kwart na zeven om terug onder te gaan tegen pakweg kwart na acht, zonder evenwel rekening te houden met de schemerzones. Dat extra maar vooral reeds veel intenser licht zet de hormoonwerking van mens en dier en dus ook van onze gevleugelde vrienden in gang.

We bootsen dat na en activeren dat bij onze winterkwekers door minstens een tweetal weken voor de koppeling te zorgen voor extra licht. Door middel van een aangepaste dimmer kunnen we, rekening houdende met de schemerzones, het licht langzaam aan laten gaan tegen 6u45 en terug laten doven tegen +/- 20u15. Daarmee komen we aardig in de buurt van wat in de lente gangbaar is inclusief de natuurlijke schemerzones die we instellen op 30 minuten. De lampen langzaam uit laten doven heeft ook als voordeel dat duiven niet misvliegen of niet meer op het nest raken als plots het licht uitspringt

Als het kan maken we best gebruik van daglichtlampen en hoogfrequente armaturen. De RSI waardes van die lampen benaderen het natuurlijke daglicht, afhankelijk van de fabricerende firma, van 95 tot 98 percent, inclusief een gedeelte UV straling. Helemaal niet onbelangrijk, maar daar moeten we het later misschien nog wel eens over hebben. Het is best boeiende materie, maar dit terzijde.

Aangepast voer

Kunstlicht, samen met de geleidelijk opbouw met een meer eiwitrijk voer zal er voor zorgen dat onze beestjes in een perfecte conditie aan de zware taak van winterkweek kunnen beginnen.
Naar de koppeling toe voeren we ze zo op als zouden we ze in moeten gaan korven voor de voor ons allerbelangrijkste vlucht van het jaar.
Eén enkele keer een beetje extra vitaminekes en wat extra vruchtbaarheidsvitamine “E” moeten volstaan. Goed verzorgde, met een goed gevarieerde gezonde graanmengeling gevoederde duiven hebben niet de behoefte aan allerlei extra spul. Er sterven er meer van te veel dan van te weinig……
Vriest het geen stukken uit de grond, volstaan een 3-5 tal voederbeurten om de duiven perfect opgevoederd en verzadigd te hebben. Is ’t echt bar winter ,“verzwaren” we het voer geleidelijk aan en dat reeds vanaf een tiental dagen voor de vermoedelijke koppeldatum. Met het voer verzwaren bedoelen we voer met een hoger eiwitgehalte. Niet het ruwe eiwitgehalte is hier van belang, doch wel het benutbare en naargelang het soort kweekvoer kunnen daar immense verschillen in zitten.

Temperatuur.

Om een zolderhok kan het hokklimaat sterk verschillen met dat van tuinhokken. Die laatste kunnen bij wintertijd al veel makkelijker koud, kil en klammig zijn. In de plaats van de vorm in stijgende lijn te hebben zal dat eerder het omgekeerde zijn. Bij extreme koude is het dan ook geen overbodige luxe om de opbouw van de vorm te ondersteunen door middel van bijvoorbeeld verwarmplaten. Bij diezelfde extreem lage temperaturen blijft die dan ook branden tot wanneer de duivinnen gelegd hebben. We hoeven het de duiven niet onnodig extra energie te laten kosten of het ze moeilijker te maken dan het al is.

Koppelen

Doen we pas als we duidelijk zien dat de duiven er klaar voor zijn. Een zoals we dat in de winter wel kennen, droge, “zonnige” dag mag onze voorkeur genieten boven een donkere druilerige dag.
U zal merken dat duiven die er geheel klaar voor zijn, op een uitzondering na, niet gaan vechten, weinig of geheel niet verkeerd vliegen, u al heel snel alle bakken open kan laten en er een heel regelmatige eileg volgt.
Goed begonnen is half gewonnen…

Kwaliteit

Wat kwaliteit betreft is het zo dat het verschillende eigenschappen samen zijn die daartoe bepalend zijn. Het er in alle opzichten perfecte uitziende dier moet waarschijnlijk nog geboren worden, laat staan dat het dan ook nog top zou vliegen en kweek geven. Niet dus.
Het is het resultaat van wat de twee ouderdieren ter wereld zetten wat belangrijk is.
Het is absoluut geen rekenkundige zekerheid dat ouderdieren de goede eigenschappen die ze zelf hebben ook zullen doorgeven aan hun jongen. Het is anderzijds wel zo dat ze nooit of te nimmer datgene zullen doorgeven wat ze zelf niet eens hebben.
De vererving heeft zo zijn eigen regeltjes en wettekes, doch is het zo dat de natuur steeds naar “gemiddeldes” streeft.
Met het kweken van duiven is het een beetje zoals in de tuin. De goeie dingen (vb groenten) zijn net iets moeiljker te “kweken” dan de slechte dingen, in het geval van de tuin, lees onkruid. Als je niet oplet overwoekert het binnen de kortste keren alles en veel. Met dominant verervende fouten bij onze duifjes is het net zo. We zullen daar dus rekening mee moeten houden bij de selectie of de aanschaf van ons kweekmateriaal.

Eigenschappen

Een absolute vereiste is een natuurlijke vitaliteit. Die duiven worden niet makkelijk ziek, recupereren beter en makkelijker en sneller, zitten zelden ingetrokken enz. Vitale duiven hebben altijd een bepaald soort spanning op de spieren staan. Die spieren voelen nooit “dood” aan. Je voelt ze als het ware steeds in “beweging”. De duiven zitten er in welke omstandigheden dan ook steeds gewoonweg perfect bij en da ’s al een heel goed begin. Daar kan je mee op pad.
Verder zag ik nog nooit ( en ik zag er al heel wat) echt goeie duiven met van die openstaande oogjes. Ik zag nog nooit een topduif met pluimen zo droog als stro, een topduif die hoekig aanvoelt en niet als een waterdruppel door je hand glijdt. Ik zag nog nooit echt goeie duiven die aanvoelen als een spons en waar je zo doorheen pakt, evenmin als duiven die slecht in balans zijn, al kan dat naarmate de duif ouder wordt nog zowel ten goede als de slechte keren. Duiven met een niet stevige beenderstructuur zijn al evenmin zeer zelden, om niet te zeggen nooit, de toppers van het hok.
Dat zijn een beetje de belangrijkste dingen als basis. Schort daar reeds wat, houdt het al meteen op. Zulke duiven zien nooit de binnenkant van het kweekhok. Met goeie vogels is ’t al moeilijk, laat staan dat je met halfgebakken gasten daar den oorlog zou trekken…

In een volgende bijdrage zullen we wat dieper ingaan op een paar eigenschappen van postduiven waar we rekening mee kunnen houden bij de samenstelling van onze kweekkoppels om doelgerichter te kunnen kweken

Succes er mee!

Eddy Noel

Kennis en vakmanschap (2)
8-11-2007

Kennen en herkennen. In onze vorige bijdrage kwamen we er toe dat je naar de supermarkt loopt voor een paar appels, bananen of welk ander stuk fruit dan ook en ze proppen je daar een overjaars bruin rimpelig  exemplaar in je pollen??? Je bedankt vriendelijk ben ik zeker van. Waarom?? Je hebt namelijk, wat bijvoorbeeld dat fruit betreft, geleerd goed van minder goed en slecht te onderscheiden en dat kan je met duiven ook. Het schoonste meiske kan niet geven wat ze niet heeft. Wel, duiven die je voor de kweek gebruikt kunnen ook niet doorgeven wat ze zelf niet hebben.  Er zijn eigenschappen die dominant, recessief dan wel intermediair vererven. Een beetje kennis van zaken is hier dus vlot op zijn plaats om te komen tot de duif die je nodig hebt om met succes de vluchten af te kunnen werken die je op het oog hebt.

Als je eigenschappen als intelligentie, harde, malse, soepele, korte of langere spieren,  pluimkwaliteit,  kortere of langere voorarmen, vitaliteit enz kan leren kennen en herkennen, je wat kweektechnische kennis onder de knie krijgt wordt de weg naar het uiteindelijke doel al een stuk makkelijker, korter en met veel minder valkuilen dan dat je alles gewoon zijn gangetje laat gaan. Al die dingen vragen echter praktijkervaring

Je kan niet het verschil uitgelegd krijgen tussen goeie en minder goeie of slechte spieren of hoe dat aanvoelt en zelfs als je dat al zou kunnen is dat alleen maar een richtingaanwijzer. Je haalt de hele goeie en de archieslechte er na verloop van tijd misschien wel uit maar daartussen zijn nog zovele mogelijkheden. Daar zijn uiteraard de verschillen veel subtieler en enkel ervaring en oefening zullen helpen ook daar enigszins "wegwijs" in te geraken.

Topsport

Met duiven aan de top meedraaien is nooit een makkie geweest en wordt dat hoe langer hoe minder, net omdat meer en meer liefhebbers zich wel de moeite getroosten om van allerlei evoluties op de hoogte  te blijven.
De tijd van een flinke biefstuk met een berg patatjes voor een wielerwedstrijd is lang voorbij. Koolhydraten, snelle en minder snelle suikers, kortere en langere koolhydraatketens  hebben die plaats ingenomen. Ze zijn minder belastend voor het lichaam en geven bovendien meer rendement om nog maar een klein voorbeeld te geven.

De juiste brandstof

Als je weet dat je met aangepast voer, zeggen we de juiste brandstof, voor het juiste doel je vogels niet sneller maar wel langer snel kan laten vliegen en dat langer snel kunnen vliegen neerkomt op ook misschien maar een minuutje per uur vlucht is ’t dan niet de moeite waard?? Uiteraard moet je voor al die dingen terug effe aan de “studie” en dat is net iets minder makkelijk dan een dekselke van een potteke te draaien zal ik het maar noemen.

Vitesse

Ik had het er laatst over met een beginneling. Het heeft me heel wat bloed en zweet gekost om hem er van te kunnen overtuigen dat voor Quievrain vluchten van 40 tot max. 60 -65 minuten vliegen in normale omstandigheden, je veel beter een koolhydraatrijke mengeling voedert dan een vetrijke. Vetten hebben immers maar volop rendement vanaf het ogenblik dat er meerdere uren vliegen op het programma staan. Bovendien vliegen onze duiven op suikers en koolhydraten net iets vlugger dan ze dat doen op vetten, en op de vitesse, daar nog veel meer dan elders, komt het nu juist op die snelheid aan.

Dat gaat dus het best op een zo met suikers en koolhydraten vol mogelijke tank. Ze zijn absoluut niet gediend met een te grote onnodige vetreserve. Dat zou alleen maar extra gewicht en ballast betekenen. Komt daar ook nog es bij dat aangezien die reserves niet opgebruikt worden ze de kans krijgen zich onnodig veel op te stapelen. De duiven raken dan na een paar weken zodanig verzadigd dat de prestaties zienderogen achteruitgaan. Het wordt moeilijker en moeilijker ze aan het eten te houden en dan is de kermis rap over. Je herkent het vast wel. De eerste 2-3 vluchten vliegen ze de pannen van het dak. Week vier en/of vijf zakken de prestaties al wat weg om vervolgens naar slecht en slechter en nog veel slechter te evolueren.

Je kan ze ook zodanig "kort" houden dat het niet gebeurt maar ook dan heeft een verkeerde voeding in de zin van te vetrijk voor de kortste afstanden meer nadelen dan voordelen. Je bekomt dan wel minder calorieën maar ook minder volume aan voer terwijl dat voer het lichaam bovendien onnodig belast door altijd alles maar "om" te moeten zetten. Dat is allemaal verloren energie en voor de liefhebber en voor de duif.

Eventjes rekenen.

Stel dat je een dagelijkse behoefte hebt van 900 k cal. Je neemt dan beter een mengeling waarvan je 30 gram per dag kan voederen dan eentje waarvan je maar 20 gr per dag zou kunnen voeren om die 900 k cal te bekomen. Als het over vitesse vluchten gaat waarvan ze op minder dan een uur thuis zijn verdeel je bovendien beter die calorieën zo dat ze grotendeels uit koolhydraten bestaan. Dertig gram vluchtmengeling bijvoorbeeld zal een totaal andere verhouding geven dan een gemiddelde superdieetmengeling. Ter vergelijking heb ik ook even gerst in het lijstje gezet.

voer vetten eiwitten suikers KCal
30 gr gerst 0,57 3,09 19,95 830
30 gr vlucht 1,23 3,84 19,20 945
30 gr superdieet 3,93 3,66 14,55 1056

Moede da nu allemaal weten om met duiven te kunnen spelen?? Neen natuurlijk niet, maar ik ben er stellig van overtuigd dat het wel kan helpen,  net zoals zovele andere dingen die je beter begrijpt dat zouden kunnen doen. Je hoeft absoluut niet te weten hoe een auto in elkaar zit en of hoe de motor werkt om een goed chauffeur te kunnen zijn. Zolang alles goed gaat is er niets aan de hand. Bij problemen echter zou het anders wel eens nuttig kunnen zijn er toch ergens een beetje kennis van te hebben.

Niettegenstaande onze beginneling daar allemaal niet het minste benul van had en ze toch goed vliegen was ik wel van menig dat hij ze dat nog beter kon laten doen ook al scheelt dat misschien maar een minuutje.
Bij een normaal en niet te moeilijk vluchtverloop "staat" zo'n wedstrijd amper enkele minuutjes open dus ook maar elke seconde vroeger of later scheelt al meteen één of meerdere plaatskes in plus of min op den uitslag.
 
Theorie en praktijk

Hij begint dat te begrijpen, wat niet wil zeggen dat omdat hij de theorie beter snapt het onmiddellijk zijn weerslag zal hebben op het resultaat. Het kan een hulp zijn en meer ook niet Het gevoel om de theorie in de praktijk om te zetten of te laten aansluiten ontbreekt voorlopig nog

Overschakelen naar de halve fondvluchten zou dus nog te hoog gegrepen zijn. Als je trouwens op die halve fondvluchten spelen wil, speel je als beginneling meteen tegen het kruim van de Belgische duivensport en dat zou wel es al heel vlug voor een ferme desillusie kunnen zorgen.
Als je pas met de auto kan rijden ga je ook niet meteen een extra mooie en dure Mercedes rondrijden. Je mist de ervaring van het rijden en de kans is veel te groot dat je die als beginneling chauffeur gewoon in de prak rijdt

Perfectie bestaat niet.

Wat baten het allerbeste gereedschap als je er niet mee werken kan?? Een goeie “stielman” maakt met een oude verroeste slechte hamer en ergens een stuk van een trektang bij manier van spreken toch nog wat moois. Geef je die goed gereedschap kan dat alleen maar beter worden. Het kan ook omgekeerd

Zo is dat ook met duiven. Perfect van bouw, vleugel en oog of weet ik veel maar ze weet niet de kortste weg naar huis…….dan hebben we vooralsnog een probleem vrees ik of niet dan? Alles moet zo goed mogelijk in het rijtje passen om top te presteren, elk stukje van de puzzel moet zo goed mogelijk op zijn plaats. Niemand kan evenwel binnenin een duif kijken. De wil, de mordant, het oriënteringsvermogen enz. zijn dingen die alleen de vluchtresultaten van die pluimenbollen ons duidelijk kunnen maken.

Goed moeten ze zijn

Gelijk hoeveel duiven je mee hebt in een wedstrijd, eentje daarvan zal als eerste bij het hok aankomen. Dat is bij ons niet anders dan bij andere liefhebbers. Eén van je duiven als eerste, een paar misschien een ietsjes later, een paar zijn misschien nog net achterin op het uitslagblad terug te vinden en dan zijn er die daar dan weer niet in slagen. Toch hebben als het goed is al die duiven hetzelfde voer gekregen, uit dezelfde drinkpot gedronken en zitten ze op hetzelfde hok met een identieke verzorging. Waarom zijn sommigen dan bekwaam met het koppeleton mee te komen, moeten anderen de rol lossen en zijn er die hopeloos achterop raken?

Zal gewoon zijn omdat de ene beter is dan de andere al lijkt me dat net eventjes iets te kort door de bocht. Dat kan natuurlijk van tal van factoren afhangen die we helemaal niet in de hand hebben. De ene duif kan makkelijker met tegenwind vliegen terwijl de andere net liever de wind mee heeft. Is de lucht klaar en helder?, hangen er regenbuien onderweg?, is het eerder bewolkt? allemaal dingen die hun rol spelen. Er zijn er die bijzonder snel kunnen vliegen maar dat minder lang volhouden. Er zijn er die het langer volhouden maar dan weer iets minder snel zijn en het zal dan maar een hele snelle vlucht zijn.....De conditie van het ogenblik, een superdag of misschien net een mindere dag, het zijn levende wezens dus behoort het allemaal tot de mogelijkheden. De motivatie om ondanks een toenemende vermoeidheid toch nog net ietsjes langer door te gaan dan anderen.

Talent en/of wilskracht

Er zijn atleten met bijzondere kwaliteiten, heel talentvol en de fysieke mogelijkheden om in een welbepaalde sport of discipline daarin hoge toppen te scheren maar wat baat dat allemaal als de wil niet voorhanden is er iets mee te gaan doen, het ontbreekt aan doorzettingsvermogen of het mentaal niet helemaal in orde zit? Daar kom je gewoonweg nergens mee. Het potentieel is dan misschien wel duidelijk zichtbaar aanwezig maar al evenveel al even belangrijke dingen kan je niet of maar heel moeilijk "taxeren".
Hoe is dat nu mogelijk, zo een duif, en ze vliegt begot gene meter prijs... Je herkent het vast wel.

Wel of niet dan?

Het valt mij op aan de hand van reacties dat mensen er soms van uit gaan dat door het feit dat je regelmatig "wat" schrijft de mening toegedaan zijn dat je er gewoonweg alles zou van weten. Niets is echter minder waar en toch zeker niet in mijn geval.
Ik lees ook vele artikels en niet zelden doen sommige ervan mij nadenken of de dingen van een kant bekijken waarlangs je ze nooit eerder bekeek of benaderde. Wat ik doe is gewoon neerpennen wat ik denk, hoe we het doen, deden of zullen doen, wat en hoe ik denk over bepaalde onderwerpen, wat de eventuele motivatie is om ergens iets te veranderen, er toch wel altijd rekening mee houdende dat duiven, alle theorieën ten spijt gewoon geen exacte wetenschap zijn. Anderzijds zijn er wel degelijk een pak dingen waar intensief onderzoek is naar gedaan en het zou gek zijn van die wetenschappelijk bewezen feiten geen gebruik te maken of er ons voordeel mee te doen. Ook in de duivensport is stilstaan achteruit gaan

We weten

We weten wat we weten omdat we het op onze beurt hebben kunnen leren van iemand anders, een boek, een video, eigen ervaring en noem maar op. Op welke manier dan ook heeft het een welbepaalde tijd en investering gekost. Er zijn opleidingen zat, om duivenliefhebber te worden echter ben je op je eigen zelf aangewezen of één of ander persoon die het goed met je meent. Duivensport is competitiesport en hoe minder de ander kent en weet des te kleiner is de kans dat hij je voorpakt.

Vergelijk ik het met bijvoorbeeld de paardensport staat dat allemaal in héééééél schril contrast. Iemand vinden met voldoende kennis en ervaring is al geen makkie. Dan moet die eerst en vooral die kennis al willen delen en kan je die dan al vinden betaal je die een uurloon om meteen van achterover te vallen.

Zoals elke medaille heeft ook deze twee kanten. Mensen die dan toch cursus gaan volgen proberen op hun beurt een paar leerlingen “op te leiden” evenwel zonder daar voldoende kennis, laat staan ervaring mee te hebben. Ze doen dat om de verdere onkosten te kunnen dragen om zichzelf te vervolmaken. Eer die vermeende kennis dan tenslotte nog maar in de tweede of derde “hand” is, is de essentie al lang verloren gegaan en wat blijft er dan uiteindelijk nog over??

Je kent vast het verhaaltje van de autotechnieker? Neen?
Hij vraagt 50 euro om een niet startende wagen te repareren terwijl hij eigelijk maar een minuutje werk gehad heeft en enkel een ietsiepietsje aan een schroefje gedraaid had. De klant is verbouwereerd over die hoge nota voor wel zo weinig werk maar de mechanicien antwoord hem: Mijnheer, het is amper 5 euro om aan het schroefje te draaien, 45 om te weten welk schroefje......
 
Het kan verkeren

Hoe meer je leest hoe meer vragen je jezelf soms stelt al is dat op zich natuurlijk niet verkeerd. Reportages allerhande evenwel en vaak al wel es over dezelfde liefhebbers in verschillende “duivengazettekes” Als je dat dan naast elkaar legt krijg je er kop noch staart aan. 

Natuurlijk is het zo dat wanneer je als liefhebber aan de reporter voor de “vaste waarheid” vertelt dat je konijnenkeutels in bloemsuiker rolt en ze vervolgens aan je kampioenen voedert (om efkes fel te overdrijven), hij dat ook misschien maar beter schrijft.

De reporter kan uiteindelijk alleen maar schrijven wat de liefhebber hem te vertellen heeft natuurlijk. Zegt die de ene week zus en de andere zo….. De vlag naar de wind hangen noemen ze dat, afhankelijk van, voor, wie of wat, mooie verhaaltjes opdissen die netjes “passen” in het kader van, daarbij nog acterend alsof je in hoogsteigen persoon overnieuw het warm water hebt uitgevonden en het zaakje is klaar. Voor het geld danst den beer natuurlijk. Dat en eerzucht, ijdelheid. Mag best allemaal maar moet het ten koste van alles en veel??

In een volgende bijdrage zullen we, met de winterkweek in zicht, proberen een paar van deze dingen verder uit te diepen. Met nog maar een paar weekskes te gaan is het nu reeds van absoluut belang dat ze in perfecte gezondheid verkeren. Enkel en alleen dan  krijgen we ze in de benodigde conditie om de zware onnatuurlijke winterkweek tot een goed einde te brengen. Hoe beter de conditie van de ouderdieren op dat ogenblik, des te beter de jonkies voor de dag zullen komen en die zijn tenslotte toch de toekomst.

Biergist of bakkersgist
24-10-2007

Het artikel over de rui van twee edities geleden leverde nogal wat vragen op over bier en/of bakkersgist. Gist is gist zou je kunnen zeggen al zijn er wel degelijk enkele verschillen te noteren.
Er is gist voor de brouwerij waar bier gebrouwen wordt en we hebben gist welke gebruikt wordt voor of in de voedingsindustrie.
Gisten zijn eigelijk ééncellige organismen, er bestaan verschillende soorten gisten en officieel behoren ze tot de schimmels. De Latijnse benaming van de meest gebruikte gistsoort is Saccharomyces cerevisiae.
Het is deze die gebruikt wordt  bij zowel het maken van bakkersgist als van biergist
Die respectievelijke gisten kunnen we vervolgens nog onderverdelen in levende en dode gist, waarvan we er dan nog hebben in vloeibare vorm, kneedbare of geheel droge vorm.


                                          GIST
                                              /          \ 
                     BIERGIST                            BAKKERSGIST
                                                                     /               \  
                                                      DODE GIST     LEVENDE GIST

In de duivensport wordt voor het overgrote deel biergist gebruikt al is dat niet het oorspronkelijke product wat men gebruikt om het gistingsproces tijdens het bier brouwen op te starten. Net daar ligt een beetje het probleem. Het is het restant, datgene wat nadat het bier is gemaakt en de gist is uitgewerkt overblijft en vervolgens gedroogd en gemalen wordt.
Tijdens het gistingsproces en het nadien drogen gaan echter het overgrote deel van de oorspronkelijke voedingswaardes zoals vitamines, eiwitten enz verloren.
Datgene wat we dus in de meeste gevallen aan onze duiven geven is spijtig genoeg niet meer dan een vrij waardeloos afvalproduct.

Hebben we levende en dode gist.

“Levende” gist daarentegen is een zeer hoogwaardig product. Hij komt pas dan terug tot leven wanneer er water aan wordt toegevoegd. De levende gist bevat eveneens enzymen die zorgen voor een betere fermentatie, omzetting en vertering van het voedsel. Met andere woorden, waardevolle stoffen en vitamines worden makkelijker uit het voer onttrokken en de duif haalt dus meer uit het haar verstrekte voer. Voeg daar de voedingsstoffen aan toe die de gist zelf bevat en het plaatje is meteen rond. Geeft u het maar bij wijze van proef een drietal dagen na elkaar over het voer aan duiven die wat “onderkomen” zijn. Ze zien er meteen weer uit als “plaatjes”!

Een nadeel van levende gist is dat naarmate hij ouder wordt, hij ook zeer snel aan kwaliteit inboet. De gedroogde versie is wat dat betreft een ietwat veiliger alternatief als je niet tijdig voor verse gist kan zorgen.

Bij “dode” gist is het zo dat die tijdens het drogingproces net zo hard verwarmd werd dat de gistcellen doodgaan maar verder alle er in aanwezige vitamines en voedingsstoffen zo goed als behouden blijven. Zelfs al behoud je deze, mis je toch de werking van de enzymes en dat is
helemaal niet onbelangrijk.

Gebruik.

We gebruiken zowat 1 gram gist per duif welke we oplossen in lauw-warm water, niet warmer dan 55 graden, want dat is het punt waarop de gistcellen dood gaan. Over het voer gieten, goed mengen en vervolgens gewoon op laten drogen. Ze eten het zeer graag en het is vele malen beter dan het afvalproduct uit de bierbrouwerij. Doe er uw voordeel mee

Eddy Noel

Kennis en vakmanschap (1)
11-10-2007

Wie ge kent is soms belangrijker dan wat ge kent, al gaat dat vliegerke in de duivensport gelukkiglijk wel niet op. Daar ben je afhankelijk van de eigen kennis en ervaring om tot presteren te komen. Er kan al es wat geluk mee gepaard gaan maar dat is dan meestal maar van korte duur. De liefhebbers die jaar na jaar aan de top meedraaien kennen ook al wel es een minder seizoen, doch het jaar nadien verschijnen ze weer op het voorplan. Wat onderscheid die mannen nu eigelijk van de anderen?
Hebben ze betere duiven? hebben ze inderdaad meer kennis?? zien ze iets meer?? voelen ze iets meer??

De tijd van toen..
Een chef-kok van 20 jaar geleden was noodgedwongen meer vakman dan dat je dat nu “moet” zijn.  Elke basis voor gelijk wel soepke of sauske , zoals daar waren blanke en bruine fond, vleesglace, een visfumeke en al dat soort zaken werden huisbereid. Op de hoek van elke stoof in gelijk welk restaurant dat zichzelf respecteerde stond een grote ketel met daarin wat rundsbeenderen,  selder prei ajuin en noem maar op. Die dingen gaven smaak aan de fijnste gerechten. 
Een béarnaiseke werd nog opgeklopt uit een paar eigelen en een zelfgemaakte gastrique. Niet te weinig opgeklopt of het boeltje zakte ineen. Niet te veel of te lang op het vuur of het eigeel werd een omelet Wa gesmolten goei boter der bij maar ook niet te vlug of te weinig of teveel of het boeltje schifte en werd gelijk goed voor de “varkenston”. Toegegeven, het was allemaal wat arbeidsintensiever en er kwam vakkennis om de hoek kijken om het allemaal tot een goed eind te brengen doch, je had er veel meer genoegdoening van. De smaak was nooit echt identiek, elkes keer toch dat ietsje verschillend maar stond in elk geval in een schril contrast met wat ze nu uit de hoge hoed toveren uit die dozen en potten.
Een Béarnaiseke, een Choron, vis of vleessaus naar keuze; elk van die dingen zit in het assortiment netjes en mooi verpakt in een bijpassend dozeke of potteke.  Het kleinste kind maakt in een handomdraai gelijk wat voor je klaar. Geen voorbereiding nodig, ’t ligt zo op je bord,  tijd gespaard dus en het “lukt” bovendien nog altijd ook.  Of het beter is, da ’s een ander vraagstuk maar toch smakelijk……..

Eén en één is twee?
Ik schreef al eerder dat duiven houden en kweken en spelen geen optelsommetje is. Het zou wa simpel zijn en net dat wordt meer en meer een probleem. We leven in een consumptiemaatschappij waarin alles snel, en flexibel moet en time money is. Duiven zijn daarin in vele gevallen verworden tot een middel tot. Zijn ze “opgebruikt”, weg dan maar en plaats ruimen voor andere.
Duivenmelker worden heb ik altijd gezien als een vak aanleren en dat doe je niet effekes in één-twee-drie. Dat doe je met vallen en opstaan, kijken, voelen, vergelijken, proberen, aanvoelen, ervaring opdoen enz .  Het is een lange weg waarvan je eigelijk nooit het doel bereikt. Je wordt of kan beter en beter worden maar de perfectie en voor wat dat dan al zou mogen zijn bestaat niet. Bovendien evolueert alles zodanig snel dat je maar best constant de vinger aan de pols houdt. Dat allemaal maakt het voor de beginnelingen in de sport  zo tergend moeilijk en zeker als er niet iemand is die zich  erover ontfermt. 

Competitie
Er is hobby en hobby, er is sport en sport. Wedijver en competitiegeest zijn oeroude gegevens en des mensens. Dat is niet anders en éénieder vult dat in op eigen manier.  Het komt er op aan in wat je ook doet, je daar gewoon een aangenaam tijdverdrijf in te kunnen vinden en daar dreigt het net vanwege mensen nu eenmaal competitiebeesten makkelijk es mis te gaan lopen. Echte, pure, zuivere hobby, gewoon de sport voor de fun is bij momenten heel ver zoek. Er wil kost wat kost gewonnen worden en dan zijn simpelweg alle middelen goed. De duif wordt niet meer gezien als een dier maar gewoon als middel tot. Winnen, de beste zijn, het hoogste torentje bouwen, daar komt het op aan. Hoge torentjes bouwen zonder degelijke fundamenten tuimelen echter makkelijk omver en toch is 't is wat velen proberen.

De gulden middenweg
Als je dieren wil houden moet je ze verzorgen naar best vermogen. Daar hoort net als bij mensen in tijde van ziekte al es een medicamentje bij. Met onze duiven doen we aan competitie en ook net als bij ons mensen vragen ze op dat ogenblik al es wa extra zorgen in de vorm van voedingsupplementen. Nog veel belangrijker is de duif zelf. Die komt zelfs op de eerste plaats. Ze moet het kunnen, ze moet er fysiek de bouw voor hebben al schijnt dat allemaal bijzaak te gaan worden. ‘t Is gewoon zonde. We kweken er maar op los, proppen ze vol met allerhande spul en er zullen er wel een paar tussen zitten die het goed doen zeker.... Opgebruikt en opgebrand maar dat geeft niet, de volgende lichting ligt al klaar. Duivenliefhebber zijn.... Ge zegt daar zo iets.

Belangrijke vraag echter is:
Wat wil ik bereiken, wat is belangrijk en welke prijs wil ik er voor betalen. Als enkel de resultaten van doorslaggevend belang zijn en de manier waarop ze behaald worden absolute bijzaak mogen het bij manier van spreken vliegende apotheekkasten zijn. Een paar jaar kan dat best goed gaan. Willen we echter verder in de toekomst kijken en een degelijk duivenbestand opbouwen vrees ik dat het niet de allerbeste manier van doen is. Als 't echt nodig blijkt te zijn om wekelijks antibiotica te gebruiken of ze vliegen nie goe,  gaat het mijn inziens duidelijk de verkeerde kant op. Dan nog echter is het de keuze van de liefhebber zelf al dan niet de ingeslagen weg verder te bewandelen.

Kost wat kost dan maar?
Ik ken liefhebbers bij de vleet die dankzij het op regelmatige basis toedienen van antibiotica en allerhande zooi aan duiven gedurende enkel jaren de pannen van het dak speelden om daarna roemloos ten onder te gaan. Op die manier heb je dus duidelijk niets aan pakweg een artikel over kweekmengelingen en het verschil tussen een peulvruchtenrijke mengeling en een meer vetrijk voer waar dan toch meer benutbare eiwitten inzitten met een beter kweekresultaat tot gevolg. Het kan ook volstaan om dagelijks een aangepaste hoeveelheid van een compleet aminozurencomplex te gebruiken over het voer of in het drinkwater om tot een hoger benutbaar eiwitgehalte en minder afvalstoffen te komen. Toch blijft het interessant dat, nog veel meer en zelfs zoveel mogelijk te weten al is dat uiteraard mijn persoonlijke mening.

Hoe ge uiteindelijk iets bereikt doet er in feite minder of misschien wel helemaal niet toe als de resultaten maar goed zijn??  Daarvoor doen we het tenslotte?? Doch, ge kunt zes op tien halen voor een examen en da is al nie slecht, zeven is al beter, acht nog beter enz. maar waarom zoude in godsnaam moeite moeten doen om meer te halen als het met zes op tien ook al lukt om goed te spelen??
 
’t Kan misschien beter
Ik vind het persoonlijk een hobby in de hobby om er zoveel mogelijk over te weten te komen  Alles over het voer, de soorten voer, vetten , eiwitten, en noem maar op. wat ze doen of welke invloed ze hebben op de duif, hoe ze leven, hoe ze vliegen, wat voor energie, hoe het omgezet wordt, de kweek, vererving enz enz.
Alles maar dan ook alles wat met duiven te maken heeft geniet mijn interesse.

De zogenaamde bijproducten, alternatieven om het eventueel zonder meds te kunnen bolwerken, waarom het zou kunnen werken of net niet. Effect van licht,  welk licht, wanneer, waar en hoelang, gebruik van verwarming, hokklimaat.... ik probeer het gewoon allemaal uit zonder evenwel over 1 nacht ijs te gaan. 't Loopt soms goed af, soms ook es minder goed, maar toch komde er elke keer wa wijzer uit.
Voor al wat ik doe probeer ik een verklaring te hebben, probeer ik te doorgronden waarom het beter zo is. Het is gewoon heel boeiend en ge leert er bovendien enorm veel van. Of ge daarom beter speelt staat daar totaal los van eigelijk.

Theorie en praktijk
Het beaamt natuurlijk ten volle dat de theorie soms ver weg is van de praktijk. Er zijn mensen die het gewoon zien, voelen of aanvoelen zonder dat ze er eigelijk een verklaring kunnen voor geven. Dan hebde diegenen die voor elk probleem een absoluut aanvaardbare, soms zelfs wetenschappelijk verantwoorde uitleg kunnen geven maar het op het hok of bij de duiven zelf gewoon niet zien of aanvoelen. Een combinatie van de twee zou wondermooi zijn maar dat is natuurlijk niet aan iedereen gegeven. Ervaring dan..... als ge dertig jaar of meer met duiven speelt zoude die toch al moeten hebben denk ik neen?? Wel ook dat is al evenmin een garantie op succes.

Wat geef ik ze?
Pakken vragen krijg ik binnen over duiven al stel ik dat eigelijk een beetje verkeerd. Ze gaan meestal niet direct over de duiven zelf.
Ik vergelijk het een beetje met de keuken van toen en nu. Welk potteke, fleske of ander geheim brouwsel er nu waar en wanneer en hoeveel  moet gegeven. Het gaat er vaak alleen maar over wat ze nu precies op elke dag van de week geven moeten om die pluimenbollen tegoei aan de start te krijgen. De vraag wordt niet eens gesteld of de duiven wel goed zijn want dat zijn ze heus wel. Ze komen van daar of van ginder, deze of gene liefhebber en het zijn kinderen “uit”  Wat kan daar nu begot mis mee zijn.  Goed gevoerd?? Tuurlijk, ik volg het schema van x of y en daar zal ’t dus ook wel nie aan liggen...

Bezoek
Onlangs een nog jonge liefhebber op bezoek gekregen en die had wat duiven bij om es te laten zien. Opvallend alweer hoe bitter weinig liefhebbers weten en kennen over de hobby waar ze dagdagelijks toch wel wat tijd aan besteden. Eens te meer blijkt ook weer dat commercie en handel drijven in duiven veel belangrijker is dan liefhebbers of jongelingen een stappeke vooruit te helpen. Wat ie betaalde voor tien jonge duiven wil je al helemaal niet weten.
Ik ken niet betreffende liefhebber persoonlijk maar lees wel in het lang en het breed pakken reclame en uitslagen ervan. De duiven die ik in handen kreeg waren in die mate waardeloos da ´k me afvraag hoe die met zo´n duiven ook nog maar een prijske kan spelen. Over zo´n prutsdingen zou ik nog verlegen over zijn die gratis en voor niks weg te geven. ‘k Zou het nog nie eens doen, laat staan ook maar durven doen. Zo verschrikkelijk erg was ´t voor een liefhebber van dat niveau maar enfin, dit terzijde.

Tegen beter weten in
Die vogels hou je tegen beter weten in dan ook maar aan want ze hebben en een naam en er hangt een vree schoon papier met ronkende namen en uitslagen om U tegen te zeggen aan vast. Je kweekt daar uit, koopt ringen en voer, je gaat bij de vet langs voor de verplichte paramixo enting, koopt een paar chipringen om vervolgens de auto vol te tanken en die gastjes op te gaan leren. Met wat je nog niet kwijt bent kom je in het lokaal aandraven om na zeer korte tijd voor het voldongen feit te staan dat ze geen pijp tabak waard blijken te zijn.
Met al de centen die je daar aan spendeerde zonder dan nog van de ontgoocheling te spreken had je allicht heel wat meer kunnen doen. Hamvraag echter is, waar loopt het fout? ofwel bij de koper die zich zo´n prutsen in handen laat stoppen en daar bovendien nog een pak euro´s aan spendeert of bij de verkoper die dergelijke rommel voor zoveel zuurverdiende centen aan de man weet te brengen.
Weet wat je koopt
Wat mij betreft gaat het al mis bij de koper Appelen kunnen we niet vergelijken met citroenen en duiven zijn geen appelen. Niet alle mooie duiven zijn goeie duiven of omgekeerd maar als ´t dan allemaal zo van die (mislukte dan nog) musjes zijn met van die wagenwijd openstaande kabeljauwogen, nog erger dan erg kippenvleugels er aan, zonder spieren, heel kort van stuk en dan nog in twee of drie stukken "breken” dan vreet ik mijn schoenen op als daar wat tussenzit wat prijs kan vliegen. Stel u voor dat ge zo´n twee krawaten samen zet voor de kweek, want daar moesten ze uiteindelijk voor gaan dienen, wat daar van terecht gaat komen wetende dat je makkelijker "achteruit" kweekt dan vooruit.
Ik kan in mijne pyjama en mijne pyjama kan in de brievenbus en dus kan ik ook in de brievenbus??? Toch maar effe voorzichtig zijn…..
Veel en alles hangt af van hoe je de dingen aan de man kan brengen en daar zijn enig realisme en/of eerlijkheid soms ver zoek. Als de kassa maar rinkelt, meer moet dat niet zijn blijkbaar. Sommigen hebben bovendien het talent om op een zodanige manier van een dooie mus die een paar prijsjes vloog op een concourske tussen enkele liefhebbers en een paardenkop, een superbeest te maken. Aan u de uitdaging die dingen grondig te analyseren alvorens pakken euro´s te spenderen aan waardeloze rommel. Waar speelt die liefhebber, hoe is zijn ligging, tegen wie en in welk verband werden de prijzen behaald. Een eerste prijs van dertig duiven is er één. Een eerste prijs tegen vijfduizend concurrenten is er ook één.

Eddy Noel

Ruiperiode
3-10-2007

Er mee aan komen zetten dat de ruiperiode wel eens de belangrijkste van het jaar zou kunnen zijn is een open deur intrappen. Tuurlijk is de ruiperiode belangrijk maar dat zijn heden te dage wel alle periodes in het leven van zowel competitie als kweekduifjes. Waar we vroeger de touwtjes tijdens de winterperiode al wat makkelijker los konden laten hebben we heden ten dage  de conditie van die diertjes  best het jaar rond zo optimaal mogelijk.

Tom Boonen, en dat net zoals elke andere sportman of vrouw, kan zich ook helemaal niet veroorloven de ganse winter wat te lanterfanten om dan een maandje voor pakweg de ronde van Vlaanderen wakker te schieten en rappekes wat te gaan trainen.  Zo gaan die dingen al lang niet meer.  Als ie dan al de streep zou halen zal ’t zeer zeker niet als eerste zijn, laat staan in het eerste peletonneke.

Duiven veranderen nu hun verenkleed en het is dat verenkleed wat hen volgend jaar door het vluchtseizoen moet helpen. Hoe beter de kwaliteit er van en hoe minder mankementen er aan des te beter zal dat kunnen lukken.  Het zou al een ferme handicap zijn als je vanaf de start al niet met gelijke wapens strijden kan.
Het is dus zeer belangrijk er nu voor te zorgen dat er zo min mogelijk obstakels een perfecte rui in de weg kunnen staan.  Een grondig onderzoek bij een gespecialiseerd dierenarts is geen overbodige luxe.


Tijdens de rui zien ze er vaak niet uit

Het besmettingsgevaar voor duiven die regelmatig de mand ingingen is vele malen hoger dan voor duiven die thuis op het kweekhok voor het nageslacht dienen te zorgen al hebben we ook daar enkele potentiële belagers. Knaagdieren allerhande, evenals mussen die door de mazen van de volièredraad hun zaadje komen mee-eten kunnen voor bijvoorbeeld paratyfus zorgen. Degelijk laten nakijken dus, trouwens voorkomen is nog altijd veel beter dan genezen.
Duiven die niet voldeden worden liefst zo snel mogelijk verwijderd. Meer ruimte, meer plaats, minder infectiedruk impliceert meteen ook minder kans op ziektes voor de overblijvers.
Duiven op het end van het seizoen zijn vermoeide duiven.  Het veelvuldig vliegen, de stress van het vervoer enz ondermijnt de weerstand en dat maakt de diertjes gevoeliger voor allerhande ziektes.  Duiven die verduisterd en eventueel nadien verlicht werden hebben door de onnatuurlijke omstandigheden daar nog meer onder te lijden. Nogmaals , degelijk laten nazien en het advies van de vet opvolgen is dus een eerste vereiste om op het gebied van gezondheidsproblemen alle obstakels weg te nemen. Dat zijn dingen die we zelf in de hand hebben.

Een goed gezond gevarieerd licht verteerbaar voer met voldoende ruwe celstof moet er voor zorgen dat er toch toereikend bouwstoffen aangevoerd worden en het organisme tegelijkertijd toch makkelijk overtollige afvalstoffen af kan voeren. Een licht theetje kan daarbij helpen.
Bakkersgist over het voer werkt bloedzuiverend en zorgt eveneens voor de aanvoer van makkelijk opneembaar eiwitten en dat zijn tenslotte de bouwstoffen.  Gewoon oplossen in een beetje warm water over het voer gieten, degelijk mengen en mooi op laten drogen. Ze eten het bovendien nog zeer graag ook.


Verse bakkersgist

Het komt er op aan het organisme zo weinig mogelijk te belasten. Hier en daar een  aminozuurtje en wat extra mineralen kunnen een extra hulp zijn voor die duiven welke nog laat op het seizoen op vlucht gingen en waar de rui zich voltrekt in een min of meer versneld tempo. Sedochol, eveneens een prachtig hulpmiddel

Wat extra lijnzaad of beter nog, tussendoor wat lijnzaadolie over het voer zorgen voor een zijdezacht verenkleed. Het verschaft bovendien een extra aanvoer van omega 3 vetzuren en dat is al helemaal niet verkeerd.  Af en toe levende yoghurt over het voer zorgt voor wat makkelijk opneembaar dierlijk eiwit terwijl de lactobacillen de darmflora ten goede komen.

Verder zorgen we op regelmatige tijdstippen voor een bad. Het komt de verpluiming zeer ten goede. Het hok, maar vooral ook de duiven zelf vrij houden van ongedierte voorkomt dat die snoodaards al meteen het pas vernieuwde verenkleed te lijf gaan. De duiven zelf hebben ook meer rust als ze niet constant overal in de pluimekes hoeven te pikken

Voor de gesloten duiven, meer nog dan voor andere proberen we het veld op het hok te brengen. Daartoe mengen we allerhande soorten pikstenen, veldkoeken, vitamineral, snoepzaad, wildzaad, diverse soorten grit, zeewier enz door elkaar. Veltende duiven gaan daar vaak op zoek naar allerhande wormpjes, slakjes, kevertjes of andere insecten en om daaraan te trachten voldoen mengen we er ook nog insectenpaté van Orlux doorheen. Ze lusten het graag en die insecten zijn eveneens aan aanvoer van licht verteerbaar dierlijk eiwit, alweer bouwstoffen voor een perfect verenkleed dus.


Insectenpaté

Overdaad schaadt en indachtig dat ze wel niets tekort mogen komen kan het al snel van het goede teveel worden. Te veel is vaak slechter dan te weinig. Het verstoort de goede rui en veel oude dons blijft zitten omdat het “teveel” de stofwisseling verstoort. Een mens voelt zich ook fitter en actiever na een lichte maaltijd dan na ne goeien dikken biefstuk friet met bijhorend  roomsauske……De gulden middenweg dus!
Ruitijd is ook vakantie- en terug naar de natuur tijd voor de diertjes. Niets moet en alles mag of toch in die mate dat het mogelijk is.  Uitvliegen of misschien wel dag en nacht open hok kan niet overal.  Roofvogels lusten al wel es een duifje en ik kan me voorstellen dat iemand wie in de stad duiven houdt die ook niet ganser dagen rond laat slenteren op daken en in dakgoten. 
Terug naar de natuur toch zoveel mogelijk. Duiven zijn gemaakt om te vliegen en niet om maandenlang opgesloten te blijven in hokken of volières. Het is misschien wel makkelijker voor de liefhebber maar het welzijn van de dieren is ook niet onbelangrijk.

Eddy Noel
www.vanhoeck-noel.be

De selectie
13-9-2007

Ah da is simpel. Die welke het vaakst het meest vooraan vlogen hou ik bij, de rest hoepelt maar op. Volgend jaar andere en misschien betere. 't Is natuurlijk nie zo simpel gedaan als gezegd. Er zou ook niet zoveel over geschreven worden als 't allemaal zo voor de handliggend was. De goei komen van de goei, we houden alleen de goei  en dus kweken we op termijn alleen maar goeie en betere.
't Woord is wel op zijn plaats net na het seizoen en voor of tijdens de rui. Na die rui zien ze er immers weer zo prachtig uit mijnheer.. Of ze er beter van geworden zullen zijn is maar zeer de vraag.  Selecteren doe je trouwens eigelijk best het gehele jaar rond. De ketting is namelijk net zo sterk als de zwakste schakel zeg ik altijd maar. Hoe meer van die zwakke schakeltjes je der uit kan gooien des te sterker je  ketting wordt en daar worden we als liefhebber toch alleen maar beter van.

We moeten ergens starten

Een allereerste basisvereiste voor zowel vlieg als kweekduiven is een natuurlijke vitaliteit. Die zorgt er namelijk voor dat duiven minder snel ziek worden, beter in vorm komen en die bijvoorbeeld vervolgens ook langer aan kunnen houden om maar iets te noemen. Die natuurlijke vitaliteit, die hebben ze of ze hebben die niet, en hebben ze die niet, kan je daar niets, maar dan ook helemaal niets aan verhelpen. Hebben ze die integendeel wel, kan je die makkelijk en simpelweg om zeep helpen door het onoordeelkundig (lees eigelijk vooral overmatig) gebruik van medicatie. Ga je aan de kuur voor één of twee vogels tussen pakweg 20??

Als je vervolgens een goed seizoen doormaakte vereenvoudigt dat de zaken enigszins. Alle duiven zitten op een idem hok, krijgen hetzelfde voer en de liefhebber is ook voor allen dezelfde. Onder identieke omstandigheden dus dezelfde kansen en toch zijn er merkelijke verschillen op het uitslagenblad. Voor weduwnaars kan je het misschien grosso modo nog zo gaan stellen. Voor jonge duiven, onze toekomstige weduwnaars, ligt dat allicht wat anders. Er zijn vroegrijpe beestjes en er zijn er die er wat langer over doen.
We mogen het ook met een gerust hart zo stellen dat we de zekerheid hebben dat dik 80 percent van die jonge vogels totaal waardeloos zijn voor de vluchten. Als je honderd jongen kweekt en je kan er na drie seizoenen nog vijf van overhouden heb je een superkweek gehad in dat bewuste jaar.

Vakmanschap

Er zijn liefhebbers die uit een middelmatige vogel het beste kunnen halen waardoor die het toch omzeggens vrij goed doet. Er zijn eveneens liefhebbers die een topbeest tot een gewone meeloper weten te degraderen. Ieder heeft zo wel zijn eigen verhaal, doch er is steeds min of meer een "houvast" om de ene duif naar te poelier te verwijzen en de andere door te houden.
Deden je duiven het om de ene of andere reden gewoon bar slecht of kwamen ze er helemaal niet aan te pas is 't een totaal ander paar mouwen ze te "ziften". Er buiten gelaten dat je dan vast en zeker best eerst de oorzaak opspoort maar vooral tracht het euvel te verhelpen kan je afhankelijk van wat er voor de pinnen komt als mogelijke oorzaak ofwel het gehele handeltje opruimen of er toch enkele doorhouden. We zoeken dan naar die duiven waarvan we denken dat ze de benodigde eigenschappen bezitten om toch ietwat kans op succes te hebben. Kweek je in lijn of familie kan de afstamming ook een (mede) bepalende factor zijn..

Het doel

Duiven selecteren hangt ook af van de manier waarop en wat je met duiven wil gaan vliegen. Onafhankelijk van welke afstand je wil spelen moeten de duiven over de fysieke kwaliteiten daarvoor beschikken. Alle andere moeite is gewoon verloren moeite.
Je hebt heel regelmatige duiven maar voor wie kopprijzen vliegen er net niet bij is. Je hebt duiven die vrij makkelijk kop vliegen maar al evenveel of meerdere keren hun kat sturen. Als je dan een geldspeler bent is dat verre van handig natuurlijk. De duiven die telkens kop vliegen en bovendien niet missen zijn witte merels.
Tegen de wetten van de natuur is weinig, om niet te zeggen niets, in te brengen. Die zoekt wat vererving betreft nu eenmaal naar gemiddeldes en dat maakt dat echte toppers maar bij mondjesmaat ter wereld komen. Diegenen onder het gemiddelde, zowel wat vlucht als kweek betreft zetten we aan kant. Het is de bedoeling de dingen te proberen sturen naar "boven" het gemiddelde dus in feite zijn we met de "gemiddeldes" ook niet zo veel. Die heeft iedereen wel op het hok en daar de duivensport een competitiesport is komt het er op aan niet in het peleton te eindigen maar liefst er voor, of anders dan toch op zijn minst helemaal voorin dat peleton.

Kweek of vlieg.

Een vliegduif mag er voor mijn part uitzien zoals een kip. Maakt me allemaal niet zoveel uit. Zolang ze presteert is me alles best. Kweekduiven daarentegen worden zeer streng geselecteerd. Lange voorarmen en niet kort genoeg in de schouders maken geen kans op het kweekhok terecht te komen. Een uitzondering wordt al es gemaakt voor de inteeltjes maar dan nog mag het zeker niet extreem zijn. Te harde en of te korte spieren, daarvan probeerden we al wel es iets in de hoop dat te kunnen compenseren maar de ervaring leerde toch dat je acht van de tien van een koude kermis thuiskomt. De duif in kwestie zou dus al moeten uitblinken in andere belangrijke eigenschappen.
Feit is, de perfecte duif bestaat niet en bovendien kunnen twee toppers het grootste kneusje wat je ooit kweekte op de wereld zetten. Dominant verevende fouten vermijden we en voor de rest is het belangrijk dat de duif uit een goede familie komt. Dat er broers en zussen zijn die ook goed vliegen en/of kweken en als 't dus effe kan, goede verervers zijn. Vooral het resultaat van de twee ouderdieren spreekt me aan. Wat ze op de wereld zetten is veel belangrijker dan hoe ze er zelf uitzien. Om dat te weten te komen moet je het eerst proberen natuurlijk en daarom hou ik er van vaak over te koppelen. Je haalt er makkelijk de betere verervers uit, je krijgt tevens een beter zicht op de kruisingsgeschiktheid en door het feit dat we voorstander zijn van inteelt komen we nog makkelijk aan de weet in welke mate ze dat verdragen. De grens daarvan, samen met de kruisingsgeschiktheid en het goed vererven zijn dingen die stuk voor stuk van belang om er voor te zorgen dat je geen stam opbouwt op losse fundamenten.

Wat houden wij nu bij?

Jongen die gepaard waren, op weduwschap vlogen of een nestje hadden en het niet super goed deden mogen de baan ruimen. Die worden zelden beter met ouder worden. Duivekes die niet gepaard waren en het behoorlijk deden krijgen wel nog een kans te tonen als jaarling wat ze in hun mars hebben. Ouden en jaarsen moeten een score halen van zeven op negen en daar moeten op zijn minst drie kopprijzen bij zijn of ze mogen ook verhuizen. Daar halen we wel die duiven uit die vrij kort in de familie zijn gekweekt en waarvan het fenotype blijk geeft van “korter” te zitten dan de afstamming op papier laat vermoeden.
Het kan soms een nadeel zijn voor wat de vliegprestaties betreft, van relatief nauw in de familie te kweken. Je weet nooit van tevoren hoe het genenbestand samenvloeit en dat maakt dat er na verloop van tijd al es meer kweek dan vliegduiven kunnen geboren worden. Die doffers, zowel als de duivinnen houden we bij om respectievelijk aan de weduwnaars of vliegduivinnen te koppelen. Zomerjongen worden degelijk opgeleerd en wie dat en de selectie door de hand overleeft, goede broers en of zussen heeft krijgt een kans.

Steeds op zoek

Bijgehaalde kweekduiven hebben maximaal twee jaar de kans om te bewijzen tot wat ze in staat zijn. Die worden bij aanvang onveranderlijk gekoppeld aan ingeteelte duiven uit onze basis. Enkel en alleen wanneer de jongen minstens even goed zijn, maar liefst beter, worden ze verder ingebracht om op die manier te trachten de goede eigenschappen ervan, welke we op het oog hadden bij aanschaf ervan, te verbeteren bij onze eigen stam. 

Goed, beter, best.

Selecteren is dus niet altijd makkelijk. Er zijn een paar dingen waar je rekening mee kan houden maar het komt er vooral op aan eerlijk met jezelf te zijn.
Wat voor jou goed is, is dat misschien voor iemand ander helemaal niet. Ieder liefhebber heeft wel een "beste" onder de pannen. 't Is maar alleen de vraag hoe "best" die beste dan eigenlijk  wel is.  Zo hebben we bijvoorbeeld het plaatselijke vitessespel waar het aantal concurrerende liefhebbers en de  aantallen duiven beduiden lager liggen dan op de Nationaals voor jongen duiven om effe van het ene uiterste naar het andere te lopen. Hoe verder je de duiven op pad stuurt, des te belangrijker de fysieke kwaliteiten meteen ook worden

Je gaat uit van een eigen perspectief, van de vluchten waarop je uit wil blinken om vervolgens na te gaan welke duiven daar het best voor geschikt zijn.  Je houdt dus niet en Ben Johnson, Carl lewis of onze eigenste Kim Gevaert aan als je wil uitblinken op de marathon. Evenmin het omgekeerde als je het kortere werk op het oog hebt.. We ruimen er beter eentje teveel op dan te weinig. De kans dat je je beste duif het hoekje om hielp is bijzonder klein en je kweekt er zo meteen weer nieuwe en misschien wel betere.

Geluk ermee

Hoe goed wil je worden?
22-5-2007

Duiven spelen, ´t is maar een hobby...Als 't maar leuk is en dat is het meestal ook wel al hangt alles of veel er van af wat je er van verwacht en hoe je er tegenover staat. Met duiven bezig zijn is leuk, er wedstrijden mee vliegen is eveneens leuk en als je dat bovendien ook nog goed lukt kan het alleen maar als nog leuker ervaren worden. Door het feit echter dat we met zijn allen op de ene of de andere manier wel met de sport verbonden zijn weten we evenwel beter dan wie ook dat het niet altijd allemaal alleen maar rozengeur en maneschijn is.

Om top te presteren moeten ze ook top zijn en net op die weg naar de top liggen valkuilen bij de vleet. Hoe korter ze bovendien bij die top komen hoe "fragieler" het nog allemaal wordt. Het minste foutje is op dat genblik gegarandeerd een stap terug. Ze top krijgen is dus geen makkie, ze top houden zowaar nog moeilijker, onhandelbaar(der) zoals ze dan al kunnen worden.

Leuke gedachte, leuke uitdaging ook al zijn het gewoon dingen die je niet echt kan afdwingen. Je kiest voor een systeem waarvan je weet dat het al zijn vruchten heeft afgeworpen, een systeem dat je als liefhebber bevalt en waar je het type duiven voor hebt en zich daarin kan schikken. Liefhebber en duiven tevreden en dat is al een stukje op weg.

De hokken zijn liefst zo gebouwd dat ze zo weinig mogelijk gevoelig zijn aan schommelingen in temperatuur en luchtvochtigheid. Dat werkt nefast op de vorm. Goed isoleren is daarom aan te raden. Op een vochtig hok voelen duiven zich trouwens ook minder goed dan op een droog hok. Bovendien vergroot ook de kans op wormen of coccidiose sterk naarmate het hok vochtiger is.

Van belang is het daarom materialen te gebruiken met een bufferwerking. Die slorpen bij een stijging van de luchtvochtigheid het vocht op en geven dat bij een daling van die luchtvochtigheid dan weer geleidelijk af. Zelfs bij regenweer blijft een goed hok dan tot zolang de bufferwerking niet verzadigd is relatief droog.

Geen plastiekverf op de wanden ook daarom. Die sluiten de poriën van het hout af waardoor overtollig vocht niet meer opgenomen wordt maar eerder als een soort condens op de wanden blijft. Een laag stro of andere vloerbedekking kunnen ook perfect dienst doen als buffer voor zowel temperatuur als vochtigheidsgraad.

Een dubbele bodem met daartussen al dan niet isolatie of verwarmingsmatten zijn perfect. Voor die dubbele bodem zonder isolatiemateriaal er tussen zorg je er voor dat beiden goed aansluiten. Stilstaande lucht werk namelijk ook isolerend. In beide gevallen voorkom je ook condensatievocht en het belang van een droge bodem kennen we onderhand.

Bestaat die mogelijkheid niet, pas je het hok best zo aan dat je die dingen zelf zoveel mogelijk kan regelen. Uiteraard is dat niet alleen arbeidsintensiever,  er ook is nog het feit dat je het een beetje zelf aan moet voelen. Hoe ingewikkelder we het systeem maken hoe meer kans op fouten ook.

Een hok echter, wat een goed hok is onder alle omstandigheden bestaat mijn inziens niet. We proberen het dus zo te regelen dat we de mogelijkheden hebben bij te sturen.. Bekijk en vergelijk het met het klimaat in een volière. Daarin zitten de duiven heel goed voor wat betreft de luchtwegen omdat we daar over massa´s zuurstof beschikken. Bij regenachtige omstandigheden echter is het er wel meteen zo vochtig als buiten.
We zijn dan geheel afhankelijk van een langere tijd vrij stabiele temperaturen om enige vorm onder de duiven te verkrijgen.. Alleen gebeurt dat niet zo vaak of toch zeker niet op de momenten dat wij dat wel zouden willen.

Verluchting en tocht zijn twee verschillende dingen. Vanaf het ogenblik dat de luchtstroom te hard gaat kunnen we spreken van tocht. Dat voelt onbehaaglijk voor mens en dier.

Luchtroosters aan de voorkant van het hok zijn ideaal als de temperatuur hoog oploopt en het windstil is. Ze zijn of kunnen de oorzaak zijn van tocht en alle problemen van dien bij minder gunstige omstandigheden en dienen dan ook afgesloten te kunnen worden..Inspelen op en accuraat kunnen reageren op de zich aandienende omstandigheden dus.

      

Schuiven in het plafond, idem dito, ook beter regelbaar maar wat is nu goed en niet goed? Doe je ze beter dicht voor de nacht? 10, 20 cm open??. Daar kan niemand het juiste antwoord op geven. Dat hangt af van verschillende omstandigheden intern maar ook van invloeden van buitenaf.  Een hok waar 12 doffers op zitten kan een perfect hok zijn voor die twaalf duiven maar een extreem rothok als je er 20 duiven op zou zetten.

Om de duiven in perfecte conditie of vorm te krijgen proberen we er voor te zorgen dat het verschil tussen dag en nachttemperatuur niet groter wordt dan pakweg 7 graden en het vochtigheidspercentage tussen de 60-65 percent blijft


Met zo een prachtig en niet eens duur weerssrationnetje is alles heel netjes op te volgen


Hierbij is van absoluut belang, de aanwezigheid van voldoende zuurstof, m.a.w. de verluchting te laten primeren op de hoktemperatuur. Warm genoeg maar met onvoldoende zuurstof zorgt onherroepelijk voor problemen met de luchtwegen en een flinke dip in het vormpeil, terwijl in het andere geval de conditie of vorm misschien alleen iets zakt of trager opgebouwd wordt. Daar kunnen we vloerverwarming voor gebruiken of verwarmplaten aanwenden.

Uiteindelijk willen we het allemaal zo goed mogelijk doen maar vertrekken daarin meestal vanuit het denkpatroon van de mens. Probleem is dat wat de mens goed vind of alzo ervaart niet per definitie ook zo is voor het dier zoals in dit geval onze duiven.

Ik zie het vaak in de paardenwereld. Prachtig mooie stal met alles er op en er aan, tot zelfs muziek toe als´ t moet. Automatische watervoorziening, tweemaal per dag van het beste voer, mooi uitzicht als ze hun koppeke door de deur uitsteken enz. Daar staan ze mooi te staan 22 à 23 uur per dag in een box van 3x3 meter of in sommige gevallen zelfs iets groter.
Mogen ze der es uit om mooi geborsteld te worden, zadel derop, ritje maken, dan nog meestal in de piste, vervolgens een heel mooi deken van allerbeste kwaliteit er over en hopsaké, alweer de mooie lekker warme box binnen.
 
Vaak gebeurt het met de allerbeste intenties en die mensen zijn heus van menig dat ze hun dier met de allerbeste zorgen omringen. Niets van dat alles echter. Paarden hebben lak aan al die zooi. Paarden zijn van oudsher kuddedieren en hebben er simpelweg de pest aan alleen te zijn. Ze hebben behoefte aan veel beweging en vervelen zich constant in zo´n box, ook al
wegens het ontberen van de sociale contacten binnen de kudde. Dat hebben ze allemaal niet in die o zo mooi stal terwijl de mens toch van mening is dat hij het allerbeste doet voor zijn dier. ´t Zou anders en vooral beter zijn als de mens vertrok vanuit de noden van het dier en niet vanuit de zijne.

Met duiven is het tenslotte niet anders. Verwarming op de hokken is perfect als je ze dan ook goed weet te gebruiken. Duiven kunnen zeer goed tegen de koude. We gebruiken die verwarming dus beter niet gewoon om het voor onszelf knusser en aangenamer te maken op de hokken. We gebruiken of kunnen ze wel gebruiken om tijdens de top van het seizoen te grote temperatuursverschillen op te vangen. We maken er ook dankbaar gebruik van om tijdens die periode het vochtigheidspercentage op punt te houden. Op die ogenblikken is´t praktisch en handig die dingen bij te kunnen sturen. Voor de rest gewoon helemaal geen noodzaak.

Vertrekken we van de duif en haar noden uit, kunnen we ons best voorstellen dat die heel anders zijn dan wat wij van die dieren verwachten. Er is al heel wat geschreven en verteld daarover doch, de duif zelf zal dat het best weten en ondanks gedomesticeerd toch nog instinctief aanvoelen. Alleen kan ze ons dat niet vertellen. Van nature uit zijn duiven ook kuddedieren. Het zijn graaneters en "gemaakt" om te kunnen vliegen. Dat doen ze ook in hun natuurlijk biotoop, alleen is het niet zo dat ze daar uit eigen vrije wil een paar duizend kilometer per jaar van gaan maken.

Persoonlijk proberen wij er voor te zorgen dat onze duiven zo kort mogelijk bij de natuur blijven. Er is het speelseizoen waarin we met de kennis, wetenschap en ervaring, hoe miniem ook, die we hebben trachten een handje te helpen om tot degelijke prestaties te komen. Misschien doen we ´t goed maar misschien ook niet of toch niet helemaal, alweer volgens de noden van het dier zelf. Dat weten we nooit geheel zeker. Buiten het speelseizoen laten we de duif zelf zoveel mogelijk de vrije keuze. Wil ze vliegen, ze kan. Wil ze dat niet, blijft ze toch maar lekker binnen of slentert ze wat rond. Meer dan voldoende voer en drinken is voorzien en ze is dus eigelijk geheel op haar eigen aangewezen. Ik ga er nog steeds van uit dat ze beter weet dan wijzelf en intuïtief aanvoelt wat het beste voor haar is op dat ogenblik. Ervaart de duif het misschien ook beter, wie weet, en beperk ik mijn eigen mogelijke fouten tot een strikt minimum. De duif kan gewoon weer duif zijn en is het niet leuk te kunnen zijn wie je bent…..

Eddy Noel


Het voer
21-5-2007

Vaak zijn het détails die de verschillen maken. Ogenschijnlijk kleine dingetjes kunnen bepalend zijn voor winst of verlies en dat is in onze hobby, de duivensport, niet anders.

Er is een tijd geweest dat bijvoorbeeld een wielrenner een goeie dikke biefstuk naar binnen speelde voor de koers. Tegenwoordig gebruiken ze vooral suikers en koolhydraten als snelle energie leveraars. Makkelijker verteerbaar en minder belastend voor het organisme ook.

Wat duivenvoer en het voeren betreft van onze atleten van het luchtruim volgen we al sinds heel geruime tijd het advies van een specialist - expert ter zake, nl Willem Mulder.


Eddy Noel-Willem Mulder en Domien van Hoeck

Door aangepast voer, m.a.w. de juiste brandstof op het juiste moment kan je een duif langer snel laten vliegen en da 's interessant natuurlijk! We vliegen immers competitie met onze beestjes. De snelste wint en die winnaars willen we allemaal wel liefst zelf onder de pannen zitten hebben.

Het spreekt voor zich dat goed vliegen niet alleen aan het juiste voer ligt. Tal van factoren spelen hierin elk hun eigen rol en wie het cirkeltje het best rond krijgt, met andere woorden, de minste fouten maakt vliegt het best!

Voor duiven die thuiskomen van een vlucht is een zo snel en goed mogelijke recuperatie van groot belang. Suikers en snelle koolhydraten zijn hier best op hun plaats.
Het constant verbranden van energie voor soms ettelijke uren tijdens de vlucht levert een niet te onderschatten deel aan afvalstoffen op en die afvalstoffen zijn een ballast voor het lichaam.

We dienen er dus achtereenvolgens op te letten dat die netjes geëlimineerd worden,  er zorg wordt gedragen  van de opbouw en dat de energietank terug gevuld wordt met voldoende brandstof voor de volgende vlucht..

Maak nader kennis met de volgens de allernieuwste wetenschappelijk verantwoorde inzichten samengestelde voeders en de onderliggende filosofie door op onderstaande banner te klikken

 

Hoe goed wil je worden?
9-5-2007

De duivensport is een mooie hobby of zou dat kunnen zijn. Je hebt of had waarschijnlijk een goede reden om er aan te beginnen en ondanks soms wel meer tegen dan voorspoed blijft die reden in de meeste gevallen absoluut geldig. Als je dacht of denkt er centen mee gaan te verdienen kan dat al es de motivatie zijn om er snel de brui aan te geven. Ja mag je al gelukkig prijzen als alles zelfbedruipend is maar dan nog zou dat een verkeerde instelling zijn.

Soms kan ik er echt van genieten ergens in de stad op een terrasje te gaan zitten en gewoon niets anders doen dan de mensen gade slaan. Vele vragen ontlokt me dat wel eens. Een drukte van jewelste, een wirwar aan individuen, de één al meer gehaast en in een rush dan de andere, gewoon ieder druk doende met zijn eigen ding en dan vraag ik me soms af, wat beweegt nu toch al deze mensen? waarmee zijn ze eigelijk bezig? wat denken ze begot met hun druk gedoe in beweging te zetten? welk visioen drijft hen? welke grote daad spreekt hen aan? welke hoop koesteren ze? welke beloning denken ze dat er op hen ligt te wachten enz.

't Moet allemaal snel en in al die drukte en bedrijvigheid bemerk je vaak die gewoonweg merkwaardige onrust. Is dat dan het leven? de moderne tijd? genieten ze nog wel van wat ze aan het doen zijn? zijn ze allemaal wel zo belangrijk als ze vaak zelf denken dat ze zijn of misschien wel zouden willen zijn?

We "fixen" het wel allemaal es snel se, actie en reactie, maar ook al zouden we het zooooo héél graag willen, goed spelen met duiven is simpelweg geen quick fix dingetje. De realiteit is dat het een "iets" is waarin meerdere dingen van belang zijn en wij als mens in de eerste plaats moeten openstaan voor veranderingen. Anders en beter handelen en doen begint met anders denken, geïnspireerd worden en kennis opdoen.

Je drukt op de schakelaar en 't is maar heel normaal dat het licht aangaat. Je drukt nogmaals en 't is weer uit. Je draait aan de kraan en der is water... Heel gewoontjes allemaal, doch eer het zover is kunnen komen is daar een pak denkwerk aan voorafgegaan en uiteindelijk alles geëvolueerd tot wat het nu is. Er komt heel wat kennis aan te pas om alles zo geregeld te krijgen dat wanneer je op het knopje drukt of aan het kraantje draait, er elektriciteit of water is. Dat is dan nog allemaal heel technisch. Eén en één is twee en niets of niemand zal daar over discussiëren. Het is gewoon zo. Het wordt algemeen gewoon zo aangenomen.

Duiven daarentegen zijn levende wezens en ook al gaat de vergelijking misschien niet helemaal op, zonder kennis kom je een "gelukje "niet te na gesproken, gewoon nergens meer. Zoals alles zijn ook vele facetten binnen de duivensport zodanig geëvolueerd dat wie niet volgt op termijn onherroepelijk uit de wielen gefietst wordt, zelfs en ook al heb je keigoede duiven onder de pannen.

Niemand kan binnenin een duif kijken. De wil, de mordant, het oriënteringsvermogen enz. zijn dingen die alleen de vluchtresultaten ons kunnen bevestigen. We "kennen" allemaal een mooie duif, maar 1) wat is mooi? en 2) is mooi ook goed?
Misschien oogt of is de duif wel mooi gebouwd maar bezit ze toch spieren die waardeloos of zonder "leven" zijn. Misschien wel een te broze of te zware bottenstructuur, functioneren de inwendige organen niet op zodanige manier dat het topprestaties toelaat. Misschien is daar wel alles goed in orde maar woont de duif op een slecht hok, wordt ze verkeerd gevoederd of getraind enz.enz. Een bijzonder groot aantal factoren hebben elk hun invloed op het al dan niet succesvol zijn op wedvluchten.

Wie de minste fouten maakt vliegt het best wordt wel eens gesteld en daar is vast wat van aan. Hoe hoger je trouwens op de prestatieladder klimt, hoe moeilijker het wordt progressie te maken. De verschillen komen op dat ogenblik in details te zitten en met hoe meer dingen je rekening dient te houden, des te meer kunnen er ook mis gaan. 

Hoe doen we dat nu en hoe beginnen we daar nu aan? Goed begonnen is half gewonnen zegt het spreekwoord en inderdaad, een goede start is niet zomaar iets, het is alles, en veel van dat alles zit en begint in je gedachtengang, de manier waarmee je er mee omgaat en er tegen aan kijkt. Het gaat er om er alles aan te doen wat in je vermogen ligt om steeds beter te worden en daarbij niet op zoek te gaan naar de vruchten van je dagelijks werkzaamheden, die komen wel vanzelf, niet te zoeken naar het uiteindelijke doel, want ook dat zal wel komen, maar gewoon te genieten van je dagelijkse tijd die je vertoeft tussen onze gevleugelde medewezens. Bekommer je alleen daar om op die eigenste momenten en let er op hoe je je werk doet tijdens je dagdagelijkse bezigheden op je hokken, met welke ernst, toewijding en liefde je omgaat met met uw dieren. Het zijn tenslotte ook levende wezens met hun gaven en gebreken maar vooral ook grenzen. Behandel ze er dus ook naar en vraag niet het onmogelijke ervan.

Duiven communiceren onderling op hun heel eigen manier en dat is voor mensen moeilijk, zoniet helemaal niet te begrijpen. Toch, wanneer je dagdagelijks de nodige tijd op de hokken spendeert en oplettends bent kan je leren dat elk van onze duiven wel hun eigen manier van reageren en omgaan hebben met soortgenoten en de verzorger. Een opmerkzaam liefhebber merkt wanneer er bijvoorbeeld geen water meer zou in de drinkpot zitten zonder er in te gaan kijken, wanneer de duiven behoefte hebben aan een badje, of rust, of wanneer ze energie te veel hebben en der uit willen voor een fikse training enz enz.

Wanneer het hen aan iets ontbreekt kunnen ze het ons niet komen vertellen door middel van spraak, maar hun gedragingen kunnen ons liefhebbers, heel veel wijzer maken. Natuurlijk volstaat het niet tussendoor effe wat eten in de eetbak te kieperen, 't water bij te vullen en vervolgens de deur dicht te trekken tot 's avonds om dan effe in twee minuten tijd weer het zelfde te doen. Als je dieren houdt is het onze taak ze naar best vermogen en zo goed als mogelijk naar HUN en niet naar de noden vanuit menselijk standpunt gezien te verzorgen.

We hebben de dagdagelijkse verzorging voor de thuisblijvers en die zal anders zijn dan voor bijvoorbeeld kweekduiven die uit noodzaak opgesloten blijven of de duiven die op competitie gaan. Wie wat precies nodig heeft kan niemand ons perfect komen vertellen. We hebben anderzijds mensen in onze rangen die met specifieke onderdelen van de verzorging dagdagelijks intensief bezig zijn. We kennen allemaal Willem Mulder, voor wie wat betreft de voeding, niet alleen werkzaam is in de sector maar voor wie het tegelijkertijd een hobby is met die dingen bezig te zijn. Het is nu niet dat omdat je iets vaak en veel doet je het ook goed doet natuurlijk, doch voor onze eigen tandem, nu al zowat ongeveer 4 jaar Willem zijn kennis hanterend heeft ons dat geen windeieren gelegd. We zijn ook niet de enigen en van de weinige mensen waarvan ik momenteel weet die al overgeschakeld zijn op het terug aangepaste voer van de nieuwe firma waarvoor Willem werkzaam is zijn er een groot percentage die nationaal heel hoog wisten te scoren. Ik hoor je al zeggen, ok, maar het zijn dan ook niet de van de "minste", waarbij je jezelf meteen de vraag kan stellen waarom die nu precies dat voer gaan voeren. Ze speelden al goed maar dat wil niet zeggen dat je op je lauweren moet gaan rusten of het misschien nog net iets beter zou kunnen. De vooruitgang staat niet stil. Gelukkig moeten we het niet allemaal zelf uitdokteren. Er zijn gespecialiseerde lui in diverse 'takken" van de sport. Het is zaak de dingen te proberen begrijpen, het hoe en waarom te snappen en vandaar de titel" Hoe goed wil je worden".

Dat hangt af van wat je er zelf in gaat steken. Het is vast niet per ongeluk dat de betere liefhebbers de beste duiven hebben en fokken, een goed hok hebben, goed voer voeren en noem maar op. Het zijn mensen die steeds op zoek zijn, steeds dingen trachten bij te schaven en te verbeteren op allerlei vlak. Ze hebben "kennis" van de verervingsleer, van de eigenschappen die een duif tot een goede duif kan maken, kennis van hokken en ventilatie, voer en bijproducten enz enz.
Die kennis, daar zijn ze niet mee geboren, Die hebben ze opgedaan door studie, kijken en vergelijken, nog meer studeren en kijken en vergelijken en een nooit ophoudende "drang" der nog meer van te weten te komen en te begrijpen.

Je hoort het wel eens, je kent het als je goed speelt, je kent niets meer de dag dat het misgaat maar dat zou wat kort door de bocht zijn als je 't mij vraagt. De beste slager snijdt zich wel es in de vingers, de topwielrenner of skiër gaat wel es tegen de vlakte en ook op de duivenvluchten gaat het al wel es mis wat niet meteen wil zeggen dat die mensen hun "vak" niet meer zouden kennen. Een ervaren metser bouwt vast een huis zonder dat hij daarvoor persé een plan van een architect nodig heeft. Waarom het precies zus en zo moet kan hij je niet in zoveel woorden vertellen, hij moet het hebben van zijn jarenlange opgedane ervaring terwijl de architect precies weet waarom het zo moet en niet anders, je dat bovendien van naaldje tot draadje nog kan uitleggen op de koop toe maar er niet in slaagt het huis te bouwen.

Een duivenliefhebber moet vaak beiden gelijk zijn en dat maakt het niet altijd makkelijk. Je kan steunen op eigen ervaring en leren uit gemaakte fouten. De perfectie bestaat in deze niet. Je zou ook kunnen leren uit ervaringen van anderen of uit fouten die anderen maakten en maken maar dat is nu net het probleem. Duivensport is competitie en dat houdt in dat het overgrote deel van de liefhebbers hun "grote geheimen ??" veel liever voor zichzelf houden. Ze acteren alsof ze zelf het warm water hebben uitgevonden, het wel allemaal weten en kennen maar vergeten vaak één belangrijk détail. Wat ze ook weten of kennen, ze hebben het hoe dan ook altijd ergens vandaan en waar Abraham dan de mosterd vandaan haalt, moet dan maar altijd in het allergrootste geheim.

Je haalt ze uit een boek? ok, maar ook dat boek werd door iemand geschreven die op zijn beurt misschien kan putten uit eigen ervaring maar vast en zeker al evenzeer uit dingen die hij op zijn beurt dan weer van anderen te weten kwam. Er zijn allerlei mogelijke bronnen van informatie maar theorie is nog altijd niet hetzelfde als praktijk. Er wordt wel es gezegd en geschreven:
"Theorie is als iedereen weet hoe iets moet, maar het werkt niet.
Praktijk is als iets werkt, en niemand weet hoe dat komt......"

Mijn grote leermeester was in eerste instantie Louis van Paesschen, Een man waar ik heel veel aan te danken heb en  waarmee ik heel veel tijd op de hokken spendeerde en zo mijn ogen de kost kon geven. Die had en heeft de feeling zonder dat hij dat met veel woorden kan omschrijven. Zo in de zin van: Je wil van me leren? ok, maar stop dan al maar met vragen stellen...
Je kreeg misschien wel al een antwoord waarin hij je wel de mogelijkheden aanreikte om het antwoord te vinden maar zou het vast niet in je plaats opgelost hebben als dat dan al wel zou kunnen. Je werd gedwongen na te denken over de dingen en ze verder in te vullen naar eigen gevoel en volgens de omstandigheden die zich op dat ogenblik op de hokken en onder de duiven voordoen.

Niets of niemand kan de dingen in jou plaats komen doen en dat is misschien maar goed ook. Het komt er op aan plezier te hebben met en in wat je doet. Presteren komt bij mij al lang niet meer op de eerste plaats. De relatie met die dieren, ze zo goed mogelijk proberen begrijpen en aanvoelen, er zoveel mogelijk over te weten komen enz des te meer. Het gekke is dat de rest dan eigelijk gewoon vanzelf volgt. Dat staat in schril contrast tegenover de tijd dat presteren maar niet wilde vlotten toen ik er intensief, heel gedreven en hopeloos naar op zoek was.

Eddy Noel

Van Hoeck-Noel
Baasrode

http://www.duivensites.nl/vanhoeck-noel

Met het warme weer
28-4-2007

mag je je heel gelukkig achten wanneer je beschikt over ruime volieres waar de duiven ondanks de warme temperaturen kunnen vertoeven in een omgeving met ruim voldoende zuurstof.


Volieres, een zee van lucht en licht en zuurstof

Moeilijker is het datzelfde klimaat op de hokken te creêren.  Onvoloende zuurstof is zeer nafast voor de conditie van de duiven en wanneer zoals nu al geruime tijd de wind uit het oosten waait, het vochtpercentage op de hokken beneden de 40 percent of nog lager duikt krijgen we gegarandeerd problemen. Te droge lucht tast de slijmliezen aan en wanneer die niet naar behoren werken zet dat de deur wagenwijd open voor allerhande probs


Vochtigheidgraad buiten om 3.26 PM was 25 percent terwijl we die op het hok netjes om en bij de 50 percent proberen te houden. Dat doen we door middel van goed nat gemaakte hardboardplaten die we voor de verluchtingsroostes neerleggen.

Daarmee proberen we er voor te zorgen dat de duiven er op de hokken even netjes bij komen te zitten als deze  in de volieres dat doen. De duiven vertoeven gemiddeld 22 van de 24 uur per dag op het hok, we zorgen er dus maar beter voor dat ze het zo aangemaam mogelijk hebben en er zich perfect thuis kunnen voelen. Dan komen gezondheid, conditie en vorm ( in die volgorde) wel vanzelf


Duiven die kunnen beschikken over een buitenvoliere zijn zeer gelukkige diertjes.

 

De Barcelona ploeg
25-4-2007

Door het overlijden van mijn schoonvader kwamen plotsklaps zowat 60 extra duiven geheel onverwacht richting Baasrode.
De jaarse duiven stopte ik in de voliere, de oude duiven werden overgewend.
Het is de bedoeling die mannen klaar te stomen voor de Internationale vlucht vanuit Barcelona. Die "Barcelonaploeg", zo noem ik ze maar, bestaat uit 10 ervaren "ratten"  Ze hebben stuk voor stuk hun sporen verdiend op vluchten zoals Pau, Perpigenan, Marseille, Narbonne. Lomoges, St Vincent, Dax enz...

Vragen of opmerkingen? Ik hoor het graag
eddy.noel@pandora.be

05-4014405

 

05-4014411

 

05-4014431

 

02-4436494

 

 03-4298535

 

03-4298508

 

03-4298544

 

04-4010677



 

04-4010695


 

04-4010698


Leerproces
30-3-2007

Voor zowel mensen als dieren en dus ook duiven is vrijwel de ganse levensloop een continue leerproces. Leren en leren is twee. Mensen en dieren doen dat op een verschillende manier Een mens denkt en kan nadenken in de verleden, het heden en de toekomst terwijl een dier meestal en grotendeels handelt en reageert op het moment zelf. Je kan dieren uiteraard iets “leren” al moeten we dat eigelijk meer “conditioneren” noemen. De duif is een vluchtdier. Bij de allerminste minste onraad gaat ze er vandoor. Dat zijn reflexen, automatische handelingen en geen doordachte handelingen. Een mens of dier heeft iets geleerd, echt geleerd als het nieuwe gedragspatroon tot zijn tweede natuur is geworden, als het geleerde een automatische prikkelreactie volgt. Iemand die leert autorijden heeft al zijn aandacht nodig om de afzonderlijke pedalen in de juiste volgorde te bedienen. Een geroutineerd chauffeur daarentegen kan perfect zijn voertuig door het drukste verkeer leiden en ondertussen nog verhitte discussies voeren. Hij kan aandacht schenken aan zijn argumenten en de discussie. Het autorijden verloopt via een vast prikkelreactiepatroon en is een automatisme geworden.

Tijdens een leerproces ontstaan nieuwe zenuwverbindingen die uiteindelijk de lange weg via de hersenen overbodig maken. Wat hebben we daar nu aan met of voor de duiven vraagt u zich wellicht af... Veel eigelijk, of veel zouden we er tenminste aan kunnen hebben.

Leren of conditioneren??

Als de duiven koppig doen om het zo maar te zeggen kan dat drie dingen Betekenen:. Ze weten niet, ze kunnen niet of ze willen niet. - Ze weten niet omdat ze het nog niet geleerd hebben - Ze kunnen niet omdat ze er bvb fysiek of mentaal nog niet aan toe zijn - Ze willen niet omdat bvb een duif van tegenover gesteld geslacht een grotere aantrekkingskracht uitoefent.

Het is aan de melker dit te differentiëren en gepast op te treden. De duiven moeten niet alleen begrijpen maar ook de informatie weten om te zetten. Aan ons om hen dat als jonge duif bij te brengen.

Bij dieren is het zo dat ze het moment van de beloning associëren met hun allerlaatste “handeling”. De “timing” is bijgevolg bijzonder belangrijk. De beloning na het signaal komt dus best op of tijdens het vertonen van het gewenste gedrag. Er niet voor of ook niet twee minuten erna. Als de duif niet onmiddellijk beloond wordt op het moment dat ze “binnenloopt” (gedrag dat we wensen) maar pas bvb zelfs maar een minuutje nadien terwijl ze misschien op dat moment aan het drinken is zal ze de beloning dus associëren met dat drinken en niet met het binnenkomen.

Wat houdt dat nu in??

Ten eerste, een signaal geef je maar één keer.

Signaal --> stimuleren --> belonen.

Ik maak het dikwijls mee dat vlijtige melkers – tig keer staan te roepen om die jongen toch maar binnen te krijgen. Na de twintigste, dertigste keer komen ze dan uiteindelijk toch. Op die manier (on)opgevoede jongen leren natuurlijk NOOIT dat een subtiel signaal toereikend is want ze hebben geleerd dat op een signaal er nog ten minste 20 volgen en er dus nog alle tijd is om te reageren. We pakken dat dus anders aan. We oefenen met de jonge duiven op het hok. We zorgen ervoor dat alles speels verloopt en bouwen zo op dat wat we de duiven willen laten doen speels en met plezier uit te voeren is. Tijdens het voederen laten we het fluitsignaal, het kom, kom of welk signaal je ook maar wenst te gebruiken horen.

Dat is het signaal. We moedigen de jongen aan naar de voederbak of plank te komen of “drijven” ze er desnoods naartoe. Dat is het stimuleren. Daar ontvangen ze dus het voer en dat is dan de beloning.

Al na een paar keer leert elke duif dat op het signaal de beloning volgt.. In de plaats van dan het signaal te herhalen als er aanvankelijk toch zijn die niet komen oefenen we desnoods meer druk uit om de duiven naar de eetbak of voederplank te dirigeren om alle druk dan te staken eens daar en de beloning in de vorm van het voer volgt.

We herhalen deze oefening aanvankelijk dagelijks binnen het hok met voer, met snoepzaad of pindas’ net zo tot wanneer de duiven prompt reageren op het signaal, daarbij niet vergetend dat we ten allen tijde maar één signaal geven. Wanneer we zeker weten dat ze het kennen (niet eerder) is de keuze daarop te reageren aan hen De consequenties op het niet of laattijdig reageren eraan verbonden al evenzeer.

Signaal is beloning. De beloning komt niet ervoor en ook niet erna en daar moeten we consequent in zijn en blijven. Ze hebben het heus wel rap door. Het zijn niet zozeer de duiven die moeten leren maar veel eerder de melker. Een duif reageert eerder instinctief op de beloning omdat die beloning nu net voer is. Eén van de dierlijke driften is nu eenmaal de drang om te eten. We moeten gewoon de “link” leggen tussen het signaal en de daar op volgende beloning. Het is dus een prima hulpmiddel.

Na een tijdje wordt het signaal de prikkel en is het onmiddellijk komen de reactie die automatisch plaatsvindt. Indien we consequent geweest zijn kunnen en zullen de duiven niet anders meer kunnen reageren zoals de ervaren chauffeur bij gevaar automatisch het juiste doet en achteraf pas nadenkt wat er gebeurd is en hoe hij heeft gereageerd. Leren is een groeiproces. Zenuwen moeten organisch samengroeien.

Als iemand zijn arm breekt wordt deze enkele weken in het gips gezet om in alle rust van schokken gevrijwaard te worden. Verwijdert men het gips te vroeg, is de kans groot alle voorgaande tijd verloren is want de arm breekt opnieuw bij de minste belasting ervan. Erger nog, hij zal slechter aan elkaar groeien dan de eerste keer.

Precies zo is het met het leerproces. Zijn de zenuwbanen slechts half aaneen gegroeid en vertrouwen we te vroeg op het resultaat, valt alles weer uiteen en was alle tijd en moeite voor niets. Zijn ze anderzijds goed aaneengegroeid houdt het voor eeuwig en onder alle omstandigheden!!!

Nog iets dat we moeten weten om alles beter te begrijpen: In de natuur gaat bijna niets volgens lineaire processen. Alles gaat in een min of meer vaste cyclus. Zomer, winter, dag, nacht………. Wanneer wij ingepakt in beton en neonlicht elke dag hetzelfde doen, de dag in nacht veranderen, van winter zomer maken en elk natuurlijk ritme aan onze laars lappen moeten we dat zelf maar weten. Duiven daarentegen staan ondanks welk systeem ook, nog veel dichter tegen de natuur en leven nog veel meer in deze organische ritmes.

Leren is een natuurlijk groeiproces en moet hier aan toegeven. Het leren gaat daarom dan ook in golfbewegingen. Vandaag lukt iets waar ze morgen doen alsof ze het nooit eerder gezien of meegemaakt hebben. Suffe beesten??

Neen dus, het is even een dal in het leerproces waarbij elk volgend dal iets minder diep is als het vorige. Dat is het kenmerk van elk ware leerproces. Op die manier kunnen we ook altijd nagaan of het leerproces goed loopt. Als je er zeker wilt van zijn dat iets goed gaat moet het juist op deze dieptepunten goed gaan…….

Het allermoeilijkste daarin is als melker zelf consequent te blijven gedurende het leerproces. Eén keer toch nog wat voer geven aan ééntje die laat of zelfs helemaal vertikte te reageren op het signaal is voldoende om een “breuk” te bekomen in het samengroeien van de zenuwbanen.

We zijn begonnen op het hok en wanneer dat goed werkt breiden we ons “werkterrein” uit. We weten dan immers dat ze tenminste al geleerd hebben wat van hen verlangd wordt, nl. bij het eerste en enige signaal te reageren. We “helpen” hen wel wa door gebruikt te maken van hun instinct en de natuurlijke drang naar eten.door ze wat “scherp” te houden. De ervaring leert mij dat het een 14 tal dagen a drie weken duurt eer ze geleerd of noem het geconditioneerd zijn in die mate dat “het” er “ingebakken” zit of met andere woorden de beoogde aaneen gegroeide zenuwbanen “definitief” en sterk genoeg zijn.

Dat kan dan wat rusten waarbij we toch steevast de volgorde signaal --> reactie --> beloning respecteren Dus geen voer of snoepjes zonder signaal of geen signaal zonder voedsel of snoepjes. Tegen de tijd van het “opleren” breiden we de leerstof wat uit.

Ze kennen en reageren op het signaal in het hok, buiten het hok en ze zullen als het goed gegaan is, dat ook zonder probleem doen bij thuiskomst van een wedstrijd. Om de leergolven te respecteren en om de gelegde link signaal (prikkel) reactie nog wat te oefenen en te verstevigen zullen we gedurende een tiental dagen de duiven wat korter houden en ze dagelijks een tiental kilometerkes wegbrengen. Bij thuiskomst is er het signaal en volgt de beloning.

Eens ze als jonge duif goed de verbinding signaal --> reactie gelegd hebben blijft deze er voor altijd. Het is zaak van de melker vooral tijdens deze leerperiode maar ook nadien standvastig te zijn en dat is nu net het moeilijkste van de gehele zaak. Eigelijk hoeft de melker meer te leren dan dat de duiven dat moeten doen. Bijna bij ieder van ons is het reeds een jarenlange gewoonte net zolang te blijven roepen en roepen totdat de duif of duiven toch binnengekomen zijn en dat is nu net totaal verkeerd. Het vraagt heel wat discipline van de melker.die slechte gewoontes om te buigen en aan te passen.

Ik heb ervaren dat eens jaarling maar zeker als oude duif, deze link veel moeilijker te verwezenlijken is. Het vraagt veel meer inspanning van de melker en dat is dus een reden te meer om er wat extra aandacht en energie in te steken tijdens de opleiding van de jonge duiven. Het bespaart ons veel werk, kommer en kwel nadien.

Eigelijk zou het beter en makkelijker zijn ergens een bepaald elektronisch signaal te installeren omdat de intonatie van onze stem afhankelijk is van het eigenste moment. Tijdens de week misschien eerder rustig, kalm, misschien opgewekter of net niet terwijl dat tijdens het weekend en zeker bij thuiskomst van een vlucht eerder zenuwachtiger kan zijn. Ze merken dat verschil absoluut. Ook het “pakken” van de duiven tijdens de week of tijdens het weekend voor mensen die niet elektronisch constateren kan een groot verschil uitmaken en het zaakje makkelijk om zeep helpen. Trek maar es tijdens het verwijderen van de gummi per ongeluk ook maar één pluimpje mee uit bij bvb een pluimpoot…..

Het is zaak in alle omstandigheden kalm en bezadigd te werkt te gaan om de (vertrouwens)relatie melker – duif, lees roofdier - prooi niet teniet te doen.

Het roofdier en de prooi

Hokbezoekjes her en der leren mij dat de relatie melker-duif op vele plaatsen gewoon een catastrofe is. Aan de manier waarop ze de beestekes, in de letterlijk betekenis van het woord “vangen” kan je al onmiddellijk zien dat de duiven niet het minste vertrouwen hebben in hun baasje.

Ik zou mij niet kunnen voorstellen dagelijks op zo’n manier om te moeten gaan met levende wezens die zodra ze je te zien krijgen, maken dat ze zo snel en zover mogelijk uit de buurt blijven Toch zijn er enkele regels die je in acht kan nemen ter verbetering van de relatie melker-duif Om deze toe te passen kunnen we beter enkele vaststaande feiten beter begrijpen. In tegenstelling tot mensen behoren duiven tot de categorie “prooidieren”. Onze reisduiven zijn nu wel gedomesticeerde dieren maar toch is het “vluchtgedrag “ eigen aan deze prooidieren reeds generaties en generaties genetisch vastgelegd. Er zijn enkele wezenlijke verschillen tussen roof en prooidieren.

Roofdieren

Hebben de ogen vooraan. Ze houden er hun eventuele prooi strak mee in het vizier Gaan er in rechte lijn op af Eens beet “lossen” ze nog moeilijk.

Prooidieren.

Hebben de ogen opzij staan. Ze hebben daardoor een veel groter gezichtsveld wat niet onaardig is om tijdig weg te komen als er gevaar zou dreigen. Ze verkiezen in groep te leven, in het gezelschap van soortgenoten omdat dat een veiliger gevoel creëert en grotere overlevingskansen biedt. Door deze wezenlijke verschillen kunnen we merken dat de verzoening roofdier (mens)-prooidier (duif) niet onmiddellijk voor de hand ligt. We zullen er onze “prooi” dus moeten trachten van te overtuigen dat we allerminst slechte bedoelingen hebben.. Hoe goed we daar ook in slagen, het genetisch vastgelegde “vluchtgedrag” zal in voor de duif onzekere omstandigheden toch weer steeds makkelijk de bovenhand halen. Als we met deze basisgegevens en al deze elementen terdege rekening houden wordt het een koud kunstje de duiven zodanig te “beleren” of “conditioneren” dat we er eigelijk héél veel van gedaan kunnen krijgen. Een pindake en de juiste timing kunnen hen aanzetten tot onvoorstelbare dingen. Probeer maar es.....

Jonkies
25-1-2007

De gehele troep ligt geringd en ze groeien als kool. 36 koppeltjes samengezet en amper 1 oudere doffer van 97 deed zijn werk niet meer. Een oude stamduivin legde maar 1 eitje en dat brengt het totaal aantal kampioentjes in spé op 69. Zal wel een "resultaat" zijn om te noteren. Een goede voorbereiding doet veel, de huidige temperaturen hebben vast ook hun aandeel in het geheel maar der komt vast ook een deeltje geluk bij om de hoek kijken. Het hoeft niet persé allemaal zo feilloos te gaan maar liever dat dan dat het helemaal spaak zou lopen als we dan toch zouden kunnen kiezen.

Tussen door wat lecithine olie over het voer, te pas en te onpas wat probiotica door het drinkwater en zowat 5 à 6 voederbeurten per dag moeten er voor zorgen dat ze zonder noemenswaardige problemen uitgroeien tot gezonde jonge duifje. Eens geringd wordt het voer verstrekt in potjes in de woonbakken. Ze zien dan de ouders eten en eens wat groter hebben ze al vlug de neiging zelf wat te gaan pikken hier en daar. Jong geleerd is oude gedaan zegt het spreekwoord en als het echt niet kouder wordt komt dat nog goed uit ook. De ouderdieren zijn al vlug geneigd aan een nieuw nest te gaan beginnen en niet dat ze de jongen dan uit het oog zouden verliezen, maar het scheelt toch. Jongen die al flink mee eten hebben bovendien ook minder last van het "dipje" waar ze toch in terecht komen nadat ze gespeend zijn.

We spenen dat jong grut op een dikke laag houtkrullen. Zitten ze lekker warm en droog op. We moeten er alleen nog over waken dat ze de drinkpan leren kennen en gebruiken en dus op tijd en stond gaan drinken. We zetten er twee op het hok plus nog hier en daar een open potje waar we drinken in gieten en er eveneens wat graantje in kieperen. 't Moet misschien niet persé allemaal maar kom, ze zijn nog flink in de opgroei en elk mankementje daarin willen we voorkomen. Zit er dan echt een domoor tussen die het niet snappen wil mag die al rustig vertrekken. De meeste van die jonge vogels zullen het immers nooit tot echte toppers schoppen en als het dan net die zou moeten zijn....

Het voer blijft onveranderd het premium kweekvoer van onze Willem Mulder. Waarom? Daarover schreef Willem al voldoende en ik ga dat hier niet herhalen. In korte woorden komt het er op neer dat het voer zo is samengesteld dat het veel meer benutbare eiwitstoffen bevat en daar uit volgend dus veel minder ballaststoffen voor zowel de jongen als de ouderdieren.
Ook nadat ze gespeend zijn blijven ze dat eten en dat steeds in die hoeveelheid dat er ten allen tijde voer beschikbaar is.

Hoeft het zo? Uitgroeien moeten ze doen, dat is zeker en daarvoor hebben ze de benodigde bouwstoffen nodig doch eens ze in de bakjes zitten en hun eerste pasje op de plank en het dak maken worden ze al gauw eerder wat aan de te vette kant door zoveel "goed" voer. Op dat ogenblik hangt het er van af wat je wil gaan spelen en hoe je het seizoen voor die jonge garde in wil gaan delen om je strategie verder te bepalen. 

Jonge duiven volgen een welbepaalde cyclus en daar maken of proberen we "gebruik" van te maken net zodanig dat ze volop graag vliegen en trainen en trekken op het ogenblik dat de vluchten er aan komen die we voor hen op het oog hebben. Vanaf het ogenblik dat we het voer lichter maken door er bijvoorbeeld gerst of paddy, m.a.w. meer ruwe celstof aan toevoegen gaan die jongen makkelijker op de vleugels. Doen ze dat voor zowat een uurtje zorgen we er voor dat we terug het vetgehalte in het voer omhoog brengen, wat er dan weer voor gaat zorgen dat het uurtje er makkelijk twee of meer worden. We maken dus gebruik van de wisselwerking koolhydraten-vetzuren-vetten en op die manier kunnen we makkelijk de trainingen sturen.

De jongen worden gespeend tegen zowat eind januari en als we er van uitgaan dat de eerste vitessevluchten er begin mei aankomen is het totaal zinloos ze eind februari al een uur in de lucht te hebben staan. Tegen de tijd van opleren en spelen zal de cyclus van omgeving verkennen en "trekken" al grotendeels voorbij zijn en heel vaak zullen de jonkies tegen dan met geen stokken meer van het dak te branden zijn. Niet vliegen en trainen betekent geen goede prestaties en aangezien we met onze duifjes competitie vliegen komt het net daar op aan.

De training en de opbouw ervan.

In gelijk welke sport heden ten dage wordt getraind volgens een weluitgekiend plan om net in de voorzien periode of voor een bepaalde wedstrijd een piek te kunnen inbouwen. Dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Een allereerste vereiste is een meer dan degelijke basisconditie. Het is een fabeltje te geloven dat de kracht van een atleet verscholen zit in de spieren en dat is al zeker niet zo voor duursporten. Formule één wagens hebben een zeer lichte carrosserie maar daar zit wel een zware motor in verscholen. Die motor bij atleten is het hart. Het hart pompt het bloed rond en zorgt op die manier voor voldoende zuurstof en voedingstoffen in de spieren. Net dat, en alleen dat bepaalt hoe lang en snel een duif kan vliegen. Hoe beter de zuurstof en voedingstoevoer, des te beter het gehele fabriekje werken kan.

Het hart is een spier en spieren hebben de eigenschap dat ze getraind kunnen worden. Hoe beter getraind een spier is hoe meer rendement je er van kan verwachten. Duurtraining bij geleidelijke opbouw zorgt er voor dat het hart minder gaat pompen bij een idem belasting en bovendien per keer dat het pomp een groter bloedvolume rond zal gaan sturen. Dat groter volume zorgt dan op zijn beurt weer voor meer zuurstof en energietoevoer naar de organen en spieren toe. Dat zorgt eveneens voor een verbeterde afvoer van afvalstoffen en dan hebben we wat dat betreft het cirkeltje rond. Hoe beter de basisconditie dus hoe meer rendement voor minder inspanning we van dat motertje verkrijgen Dan pas kunnen we verder.

Spieren, dus inclusief het hart hebben de eigenschap in rust of bij minder intensief gebruik terug aan rendement in te boeten. Concreet komt het er dus op neer dat je onder normale omstandigheden met duiven die niet of nauwelijks trainen nooit hoge toppen zal scheren en al zeker niet als er niet een voldoende basisconditie onder zit. Jonge duiven die al in februari - maart uren in de lucht hangen bouwen dan wel aan die basisconditie en ontwikkeling van het motertje maar zijn die tegen de tijd dat voor hen de opleervluchten en competitie er aan komt terug grotendeels kwijt. Dat terwijl die nu net tegen die tijd top zou moeten zijn om de verdere training uit te bouwen en in de competitie te kunnen "scoren". Ze blijven immers niet weken aan een stuk uren en uren vliegen. 

Het moment van ontdekken, vliegen en wegtrekken proberen we dus door middel van de wisselwerking koolhydraten-vetten zodanig te sturen dat die periode in hun cyclus net dan valt zowat twee maand voor de competitieperiode er aan komt die we aangestipt hebben voor hen. 

In grote lijnen komt het er dus op neer dat we jonkies eens gespeend zo lang mogelijk op het dak houden door ze voldoende goed te voederen. Te vette (nou ja) of zware duiven vliegen wel es wat rond maar echt vaart en gedrevenheid kan je daar niet in terugvinden. Vanaf het ogenblik dat we de tijd rijp achten om ze hun conditie langzamerhand op te laten bouwen en het motertje te ontwikkelen voegen we geleidelijk aan meer ruwe celstof toe aan het voer en verminderen we ook de hoeveelheid voer. Meer ruwe celstof impliceert minder vetten en meer koolhydraten en daarop gaan ze makkelijker en vlotter op de vleugels.

Zitten we bijna aan het uur voegen we geleidelijk aan weer meer vetrijke granen en zaden aan het voer toe en dat zal er voor gaan zorgen dat ze de trainingskwantiteit nog op zullen gaan bouwen. Eens daar goed in het ritme gaan we van start met de opleervluchten wat ons dan weer ruimte geeft hun oriëntatie systeem wat extra te gaan trainen. Dat kunnen we makkelijk doen door ze in kleinere groepjes of zelfs alleen te gaan lossen. Hebben we daar een welbepaald niveau bereikt kunnen ze mee de grote mand in om te wennen aan alle rompslomp daaromheen maar vooral aan het wedstrijdritme.

Eens ze daar belanden hebben ze een zeer goede basisconditie en daaraan vast hangend een goed getraind oriëntatievermogen. Tegen dan is de tijd rijp om de competitie aan te vatten en zullen ze ook minder lang maar wel intenser gaan trainen. Dat komt goed uit want dat is ongeveer ook gemiddeld genomen het ogenblik dat beide geslachten meer en meer oog voor elkaar gaan hebben. Dat zorgt voor extra motivatie en dat alles samen zorgt er voor dat ze goed en degelijk voorbereid op de er door ons uitgepikte vluchten zouden moeten kunnen schitteren. Het hoeft niet gezegd dat de gezondheid ok moet zijn en de diertjes wat in hun mars moeten hebben...

Het komt er dan alleen nog op aan de basisconditie te onderhouden, het oriënteringsvermogen op scherp te houden en de gulden middenweg aan te voelen tussen inspanning rust, voeding en training voor onze atleten om in de beste omstandigheden het einde van het seizoen of "hun" periode te kunnen halen.

Je kan ze zes tot maximaal acht weken top houden en dat op zich is al geen sinecure. In die zes tot acht weken zit een stukje "opbouw", zal er een top komen te zitten en is er een deeltje "weg terug".

Ze moeten in die tijd de basisconditie kunnen behouden, gezond kunnen blijven zonder er veel aan te moeten gaan prutsen, niet overtraind raken door ze te vaak te gaan oplaten of ze te zware wedstrijden te kort op elkaar te laten vliegen enz. Ook de voeding zal moeten aangepast worden aan de intensiteit van het vliegprogramma, daarbij rekening houdend met voldoende recuperatie, ontslakking en het terug opbouwen naar de volgende vlucht toe. De minste hapering daarin betekent telkens een stukje op weg naar "af" en op het allerhoogste niveau tegen de allerbeste liefhebbers op die nationals betaal je dat gewoonweg cash!

Het cirkeltje moet gewoon op alle mogelijke manieren rond zijn en dat is nu net de uitdaging of niet dan?

Succes ermee!

Eddy